De huur van ongebouwde onroerende zaken: een leemte in de wet
Einde inhoudsopgave
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/3.2:3.2 Wettelijke bepalingen
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/3.2
3.2 Wettelijke bepalingen
Documentgegevens:
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar, datum 26-04-2016
- Datum
26-04-2016
- Auteur
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar
- JCDI
JCDI:ADS381274:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Bijzondere onderwerpen
Huurrecht / Verplichtingen huurder en verhuurder
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze toelichting geldt voor de huur van onroerende zaken in het algemeen. De huur van roerende zaken wordt in dit proefschrift buiten beschouwing gelaten.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om de rechtspositie van de huurder van een ongebouwde onroerende zaak vast te stellen, is een aantal wettelijke regelingen van belang. De algemene bepalingen van titel 7.4 Burgerlijk Wetboek (artikel 7:201-7:231 BW) gelden in beginsel voor vrijwel alle huurovereenkomsten, tenzij de inhoud of strekking zich daartegen verzet. Nu het BW een gelaagde structuur kent, zijn ook de relevante bepalingen uit boek 6 BW (verbintenissen- en overeenkomstenrecht) en boek 3 BW (vermogensrecht) van toepassing. Zo zijn bijvoorbeeld de regels omtrent het tot stand komen van overeenkomsten, ontbinding van overeenkomsten, opschortingsrechten en algemene voorwaarden relevant voor het huurrecht. Daarnaast zijn de bepalingen omtrent de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW en artikel 6:248 BW), onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 BW), misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW), ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) en natrekking (artikel 5:20 BW) van belang. In dit hoofdstuk zal allereerst, in paragraaf 3.2.1, worden ingegaan op artikel 7:201-7:231 BW. Vervolgens zullen de genoemde bepalingen uit de boeken 3, 5 en 6 van het BW worden uitgewerkt. Bij de toelichting1 op deze bepalingen ga ik in op de relevantie van de bewuste bepaling voor de huur van ongebouwde onroerende zaken. Nadat de wettelijke bepalingen zijn toegelicht, ga ik vervolgens in paragraaf 3.3 in op de jurisprudentie waarin de redelijkheid en billijkheid, onvoorziene omstandigheden en/of misbruik van bevoegdheid in het kader van de huur van ongebouwde onroerende zaken een rol spelen.
3.2.1 Titel 7.4 BW (algemene bepalingen)3.2.2 Bepalingen uit de boeken 3, 5 en 6 BW