Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/5.3.4.2
5.3.4.2 Hoge Raad inzake overdracht zwembad II
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS420625:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 februari 2009, nr. 41 209, NTFR 2009/588.
HvJ EG 29 februari 1996, nr. C-215/94, BNB 1997/32 (Mohr).
HvJ EG 18 december 1997, nr. C-384/95, V-N 1998/5.17 (Landbode Agrardienste).
Men zou nog kunnen denken dat het verschil hem zit in de kwalificatie van de dienst die de verkrijgende partij aan de gemeente verricht. In BNB 1984/312 betreft het immers een eenmalig betaling van een exploitatietekort om de overdracht feitelijk mogelijk te maken. In BNB 2009/588 betreft het een incentive voor de verkrijgende partij om zich aan de afspraken en gestelde doelen met de gemeente te houden. Het argument zou dan kunnen zijn dat in het tweede geval een minder sterk verband bestaat tussen de overdracht van de onderneming en de dienst van de verkrijger aan de gemeente dan in het eerste geval. Naar mijn idee is dit echter niet een onderscheid dat de Hoge Raad maakt, aangezien de Hoge Raad ook in het tweede geval aanneemt dat de betaling van de gemeente een directe voorwaarde is voor het plaatsvinden van de overdracht.
Illustratief is het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2009.1 Ook hier gaat het om een gemeente die het gemeentelijke zwembad en andere sportfaciliteiten uitbesteedt. De gemeente doet dit aan een bv waarvan de gemeente enig aandeelhouder is. Voor haar taken krijgt de bv een bijdrage van de gemeente op grond van een prestatieovereenkomst. In de procedure ligt de vraag voor of deze bijdrage een met btw belaste vergoeding is. De bv betoogt onder meer dat sprake is van een budgetsubsidie die geen rechtstreeks verband houdt met haar prestaties jegens de gemeente zodat er op basis van de arresten Mohr2 en Landbode Agrardienste3 geen sprake is van een vergoeding die binnen de reikwijdte van de btw valt. Daarnaast betoogt de bv dat de vergoeding onder het niet-leveringsbeginsel van artikel 31 Wet OB 1968 (thans: artikel 37d Wet OB 1968) kan worden geschaard, aangezien deze onderdeel vormt van de overdracht van de sportfaciliteiten en bijbehorend personeel. De Hoge Raad oordeelt dat de faciliteit van artikel 31Wet OB 1968 (thans: artikel 37d Wet OB 1968) uitsluitend ziet op de leveringen van goederen en diensten van degene die de algemeenheid van goederen overdraagt en niet op de diensten die degene die de algemeenheid overneemt jegens eerstgenoemde verricht, ook niet als het verrichten van deze diensten een voorwaarde is voor de overdracht.
Hoewel de feitelijke situatie sterke gelijkenissen vertoont met het zwembad-arrest uit 1984, is de Hoge Raad beduidend terughoudender. Er bestaat geen twijfel over dat de dienst van de bv aan de gemeente niet buiten de heffing kan blijven op basis van artikel 31Wet OB 1968 (thans: artikel 37d Wet OB 1968), ook al is dit een noodzakelijke voorwaarde voor de overdracht. De Hoge Raad geeft niet uitdrukkelijk aan dat sprake is van een koerswijziging, en dus ook niet of deze is ingegeven door het arrest Zita Modes, maar het verschil tussen beide arresten is naar mijn idee niet op andere wijze te verklaren.4 In dit arrest lijkt de subjectbenadering dan ook op de achtergrond te raken. Het uitgangspunt dat de geruisloze overgang alleen van toepassing kan zijn op de lichamelijke en eventueel onlichamelijke zaken die de gemeente overdraagt, geeft blijk van een meer object gedreven benadering.