Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.3.6:11.3.6 Kennisversplintering – uitgangspunt
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.3.6
11.3.6 Kennisversplintering – uitgangspunt
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS598512:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Graaf 2000, p. 108-109: “Dat in de kantine toevallig bekend is dat de aspirantverzekeringnemer een strafblad heeft, omdat een van de kantinemedewerkers in dezelfde straat woont, lijkt mij […] geen kennis die aan verzekeraar toegerekend kan worden. […] Wanneer dezelfde toevallige wetenschap bij de met acceptatie belaste medewerker aanwezig is, zou ik anders oordelen.”
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
493. In geval van kennisversplintering moet de rechter diverse factoren wegen om te bepalen of de kennis van de wetende functionaris aan de rechtspersoon wordt toegerekend, ook al is die kennis niet bij de handelende functionaris terechtgekomen. Zie daarover hoofdstuk 9. Indien de wetende functionaris zijn kennis in de privésfeer heeft opgedaan, is dat een relevante factor binnen de afweging die de rechter maakt. Welke invloed deze moet hebben, behandel ik hier en in de volgende subparagrafen.
Wanneer niet de handelende functionaris, maar slechts de wetende functionaris de relevante kennis in de privésfeer heeft opgedaan, is mijns inziens als uitgangspunt terughoudendheid geboden. In geval van kennisversplintering levert het niet-toerekenen van de kennis van de wetende functionaris, anders dan in standaardgevallen, ten eerste geen ‘schizofrene’ situatie op. Het is niet zo dat de persoon die voor de rechtspersoon jegens de wederpartij handelt, zelf de relevante privékennis heeft. Ten tweede gaan de rechtvaardigingen voor het niet-toerekenen van privékennis in de standaardsituatie die zijn gebaseerd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bij kennisversplintering in versterkte mate op. De handelende functionaris draagt buiten werktijd al minder verantwoordelijkheid voor de rechtsverhouding tussen rechtspersoon en wederpartij dan tijdens werktijd, zodat van hem niet altijd kan worden verwacht dat hij buiten werktijd maatregelen neemt om de daar opgedane kennis te kunnen benutten voor de rechtspersoon. Voor de wetende functionaris geldt dit nog sterker. Die is immers zelf niet betrokken bij de rechtsverhouding tussen de wederpartij en de rechtspersoon en draagt daarvoor geen of veel minder verantwoordelijkheid. Ook mag in geval van kennisversplintering naar mijn mening aan de wetende functionaris meer schroom worden toegestaan om zijn privé- kennis te delen met collega’s. De wetende functionaris zal lang niet altijd goed genoeg op de hoogte zijn van de werkzaamheden van de handelende functionaris om er zeker van te zijn dat zijn privékennis inderdaad voor laatstgenoemde van nut is. Die onzekerheid zal en mag hem terughoudender maken met het vermengen van werk en privé. Ook De Graaf vindt dat privékennis in geval van kennisversplintering met meer terughoudendheid moet worden toegerekend dan in standaardsituaties.1
Zoals besproken in par. 11.3.5, vormt daarnaast (en ten derde) de beperkte beheersbaarheid van het risico op kennisversplintering bij privékennis bij uitstek een reden om de privékennis van de wetende functionaris met terughoudendheid toe te rekenen aan de rechtspersoon.