Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.8.1.2.2
3.8.1.2.2 Moment aan de hand waarvan wordt vastgesteld of kwade trouw aanwezig is
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS566223:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 augustus 2010, BNB 2010/296, ECLI:NL:HR:2010:BN3830, r.o. 4.2.1; HR 3 december 2010, BNB 2011/59, ECLI:NL:HR:2010:BO5989, r.o. 3.4.2.
F.W.G.M. van Brunschot, ‘Wetgever, doe iets tegen het nieuwe feit!’, in: Dat is verder geen probleem, Amersfoort: Sdu 2006, p. 172; E.B. Pechler, ‘Het opzetmeetpunt bij kwade trouw’, NTFR 2007/2067, p. 1-2.
J.A.R. van Eijsden merkt in zijn noot onder BNB 2011/59, onder 5 naar mijn mening terecht op dat het moment van vaststelling van kwade trouw wel na het indienen van de aangifte kan liggen als de belastingplichtige de onjuiste aanslag heeft veroorzaakt doordat hij ná het indienen van een juiste aangifte, maar vóór het vaststellen van de definitieve aanslag onjuiste informatie heeft verstrekt. Vergelijk HR 17 december 2004, BNB 2005/105, ECLI:NL:HR:2004: AP5230.
De belastingkamer van de Hoge Raad heeft in 2010 geoordeeld dat, wanneer de onjuiste informatieverstrekking heeft plaatsgevonden door middel van een onjuiste aangifte, de aanwezigheid van kwade trouw wordt bepaald aan de hand van het moment van het doen van die onjuiste aangifte.1 Dat geldt zelfs, hoewel hier vanuit de zojuist beschreven achtergrond van het vereiste van het nieuwe feit ook anders over kon worden gedacht, als de belastingplichtige vóór de ontvangst van de definitieve aanslag alsnog heeft ontdekt dat zijn aangifte onjuist was, maar heeft nagelaten de inspecteur daarvan op de hoogte te brengen.2
Hiermee vindt de vaststelling van kwade trouw en de vaststelling van opzet bij de boete bij navordering, hiervoor in paragraaf 3.4.1.3 besproken, plaats aan de hand van hetzelfde moment.3