Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/I.5:I.5 Plan van behandeling
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/I.5
I.5 Plan van behandeling
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2015
- Datum
01-05-2015
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS489124:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478 (Portacabinarrest).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Deze studie bestaat uit zeven hoofdstukken, onderverdeeld in drie delen, te weten de drie wijzen waarop natrekking door onroerende zaken plaats kan vinden:
Deel I: natrekking op grond van art. 3:3 j° 5:20 lid 1 BW;
Deel II: natrekking op grond van art. 3:4 en 5:3 BW;
Deel III: natrekking in het platte vlak.
Deel I bestaat uit 2 hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk staat het onroerende zaaksbegrip, zoals neergelegd in art. 3:3 lid 1 BW, centraal. Zowel de directe als de indirecte vereniging met de grond zal worden besproken, waarbij uitgebreid ingegaan wordt op het bestemmingscriterium dat de Hoge Raad formuleerde in het Portacabinarrest1 voor de invulling van de woorden ‘duurzaam verenigd met de grond’, in de zin van art. 3:3 lid 1 BW. In verband met de indirecte vereniging van art. 3:3 lid 1 BW, zal ook het opstalrecht uitvoerig besproken worden en de vraag wanneer een zaak voldoende zelfstandigheid heeft om natrekking te doorbreken door middel van het vestigen van een opstalrecht.
Hoofdstuk 2 staat in het teken van bouwen op water. Hiertoe wordt de jurisprudentie met betrekking tot wonen op water uiteengezet, en zal ingegaan worden op de consequenties van deze jurisprudentie voor de ontwikkeling van bouwen op water op grote(re) schaal, te denken aan de ontwikkeling van drijvende rijtjeshuizen, alsook de ontwikkeling van gehele drijvende woonwijken en steden.
In deel II staat natrekking door bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 j° 5:3 BW centraal. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de vraag hoe bepaald wordt of een zaak bestanddeel is van een andere zaak in de zin van art. 3:4 BW. De verhouding tussen lid 1 en lid 2 van art. 3:4 BW zal uitgebreid aan de orde komen, alsmede het eenheidsbeginsel van art. 5:3 BW en de ratio hierachter.
Hoofdstuk 4 bespreekt de verhouding tussen de artt. 3:3, 3:4, 5:3 en 5:20 lid 1 BW. Ingegaan zal worden op de vraag of het mogelijk is de strikte toets van bestanddeelvorming op grond van art. 3:4 lid 1 BW (bestanddeelvorming op grond van de verkeersopvatting) te omzeilen door een beroep te doen op art. 3:3 lid 1 j° 5:20 lid 1 sub e BW, waarvoor een ruimer criterium geldt, namelijk het bestemmingscriterium.
In hoofdstuk 5 staat natrekking (en de doorbreking daarvan) van kabels en leidingen centraal. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de rol van de verkeersopvatting bij natrekkingsvraagstukken met betrekking tot kabels en leidingen. In dit kader zal besproken worden hoe de omvang van een net in de zin van art. 5:20 lid 2 bepaald wordt en ingegaan worden op de vraag wanneer een gedeelte van een netwerk voldoende zelfstandig is om als afzonderlijk net overgedragen te worden.
In deel III staat (horizontale) natrekking in het platte vlak centraal. Hoofdstuk 6 begint met de vraag hoe de eigendomsgrens van een grondstuk wordt bepaald. Vervolgens wordt ingegaan op de vraag of natrekking ook plaats kan vinden in het platte vlak. Hiertoe zal tevens de invloed van natrekking en splitsing van grondstukken op de op de grond rustende beperkte rechten en de invloed op natrekking en splitsing van beperkte zakelijke rechten op het onderliggende eigendomsrecht worden besproken.
In het zevende hoofdstuk wordt besproken op welke wijze verkrijging door verjaring natrekking in het platte vlak tot gevolg kan hebben. Tevens wordt ingegaan op de invloed van verkrijging door verjaring op andere beperkte, zakelijke rechten die rusten op de grond. Indien een beperkt recht zich mede uit gaat strekken over hetgeen door verjaring verkregen wordt, lijkt dit in grote mate op natrekking, behalve dat het in zo een geval niet het eigendomsrecht is dat uitgebreid wordt, doch een ander zakelijk recht.
Afgesloten wordt met een slotbeschouwing, waarin de onderlinge samenhang tussen de verschillende hoofdstukken blijkt, en een samenvatting.