Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/8.6.3:8.6.3 Andere besluiten met externe werking
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/8.6.3
8.6.3 Andere besluiten met externe werking
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS600772:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wbtr: art. 2:11a lid 1 BW.
Van Schilfgaarde 2013/70, p. 260.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
269. Statuten bevatten vaak lijsten met typen rechtshandelingen waarvoor voorafgaande goedkeuring van de rvc is vereist, zoals het doen van grote investeringen of het vervreemden van registergoederen. Die goedkeuring is een besluit met indirect externe werking. Wordt de rvc om goedkeuring gevraagd, dan mag worden verwacht dat rvc en bestuur adequaat de informatie uitwisselen die voor het besluit en de uitvoering daarvan relevant is (zie art. 2:141 BW/2:251 lid 1 BW).1 De kennis van de rvc geldt naar mijn mening daarom in de regel als kennis van de rechtspersoon wanneer een bestuursbesluit wordt uitgevoerd waaraan de rvc goedkeuring heeft verleend, ongeacht of komt vast te staan dat het bestuur het feit kende. Dat geldt in beginsel ook wanneer een of meerdere leden van de rvc over deze informatie beschikken en die niet delen binnen de vergadering van de rvc waarin over de goedkeuring wordt beraadslaagd (of voorafgaand daaraan). Overigens zal het bestuur bij het uitvoeren van het besluit waarvoor goedkeuring van de rvc is verkregen, vaak zelf beschikken over de gegevens waarover gesproken is tijdens de rvc-vergadering. De rvc vergadert vaak in aanwezigheid van bestuurders2 en ook op informele basis vindt informatie- uitwisseling plaats tussen rvc en bestuur. Toerekening van de kennis van de rvc aan de rechtspersoon is dan niet nodig. De kennis van de rvc heeft naar mijn mening eveneens in de regel te gelden als kennis van de rechtspersoon wanneer het bestuur handelt ter opvolging van een specifieke aanwijzing van de rvc indien de statuten deze bevoegdheid aan de rvc toekennen (zie art. 2:239 lid 4 BW).
270. Indien het bestuur in strijd met een wettelijk of statutair voorschrift geen goedkeuring of machtiging vraagt aan de rvc terwijl een commissaris wel kennis heeft die relevant is voor de door het bestuur voorgenomen handeling, is mijns inziens geen sprake meer van een standaardgeval. De rvc wordt in dat geval onkundig gehouden van de rechtsverhouding tussen de rechtspersoon en de derde waar het goedkeuringsrecht betrekking op heeft en krijgt niet de kans zijn kennis met het bestuur te delen. Er is dan sprake van kennisversplintering, zodat de kennis van (het desbetreffende lid van) de rvc niet zonder meer aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.