Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.4.5:11.4.5 Kennisversplintering – jurisprudentie
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.4.5
11.4.5 Kennisversplintering – jurisprudentie
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS598515:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 december 2003, NJ 2004/506 (Distelberg & Helmberg/Van der Meulen).
Tegelgigant BV werd oorspronkelijk mede aangesproken, maar ging “uiteindelijk” failliet (aldus par. 2.3 van de conclusie A-G).
Hoe iemand ‘eigenaar’ zou kunnen zijn van een commanditaire vennootschap, komt in het arrest niet aan de orde. Uit eigen onderzoek in het Handelsregister leid ik af dat Keijzer bestuurder was van de beherend vennoot van Helmberg CV.
Zie voor de uitleg van het begrip vertrouwensgeval par. 5.6.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
522. De Hoge Raad heeft in 2003 een arrest gewezen dat ingedeeld zou kunnen worden in de categorie ‘personele unie – kennisversplintering’.1 De motivering van het arrest is op het gebied van toerekening van kennis nogal summier, maar de casus geeft een mooie illustratie van de problematiek. De casus en de beslissing licht ik hierna toe.
In Distelberg & Helmberg/Van der Meulen was de centrale vraag of Robby van der Meulen in persoon partij was bij een overeenkomst, of dat hij de overeenkomst slechts had ondertekend namens Tegelgigant BV, waarvan hij enig aandeelhouder en bestuurder was. Holland Ceramica Import v.o.f. (HCI) heeft oorspronkelijk als vennoten de heren R. (Robby) en G. van der Meulen, de heer Van der Leeuw en de heer Keijzer. In 1987 treedt Tegelgigan BV als vennoot in de plaats van Robby van der Meulen. Tegelgigant wordt als vennoot ingeschreven in het Handelsregister; het daarvoor bestemde formulier wordt mede ondertekend door de heren G. van der Meulen en Van der Leeuw. Wanneer HCI in 1990 in financiële problemen raakt, vindt een bijeenkomst plaats tussen de vier heren en de belangrijkste schuldeisers van HCI, Distelberg BV en Helmberg CV (hierna: Distelberg c.s.). Zij spreken af dat HCI zal worden geliquideerd en dat de vennoten elk aansprakelijk zullen zijn voor 25% van het verlies (in plaats van hoofdelijk). Elk van de vier heren ondertekent daartoe een verklaring; die verklaring vermeldt niet Tegelgigant als ondertekenaar, maar wel Robby van der Meulen. Wanneer Robby van der Meulen ‘zijn’ aandeel in de schuld aan Distelberg c.s. niet voldoet, spreekt Distelberg c.s. Robby van der Meulen in rechte aan.2 Robby van der Meulen stelt dat hij de verklaring uitsluitend heeft ondertekend in zijn hoedanigheid van bestuurder van Tegelgigant en dat Distelberg c.s. wist dat Tegelgigant als vennoot in de plaats was getreden van Van der Meulen. Het hof stelt op basis van getuigenverklaringen vast dat de heer Keijzer ten tijde van de ondertekening van de verklaring directeur van Distelberg BV was en mede-eigenaar of directeur van Helmberg CV.3 Van der Leeuw (die het formulier voor het Handelsregister inzake de inschrijving van Tegelgigant mede had ondertekend) was 25 jaar lang bedrijfsleider van Distelberg geweest. Tijdens de bijeenkomst waar de ondertekende verklaring uit was voortgevloeid, werd Distelberg c.s. niet door een van deze personen vertegenwoordigd, maar door de grootaandeelhouder en zijn adviseur. In schema zijn de verhoudingen als volgt:
523. In deze casus is sprake van kennisversplintering, althans van een situatie op de grens met het standaardgeval. De wetende functionarissen van Distelberg c.s., Keijzer en Van der Leeuw, traden bij het sluiten van de overeenkomst niet op voor Distelberg c.s., maar als vennoot van HCI. Zij vervulden echter nog steeds functies bij Distelberg c.s. of hadden dat in het verleden gedaan. De dubbelfuncties van Keijzer en Van der Leeuw brachten volgens het hof mee dat Distelberg c.s. bekend was met de wisseling van vennoot binnen HCI. Jegens Distelberg c.s. zou daarom niet de schijn zijn gewekt dat Robby van der Meulen in privé vennoot was. A-G Timmerman achtte dit oordeel onvoldoende gemotiveerd. Toerekening van kennis zou volgens hem kunnen plaatsvinden, wanneer bijvoorbeeld degenen die over bepaalde kennis beschikken in de organisatie waaraan de kennis wordt toegerekend een centrale en dominante positie vervullen of beslissende invloed hebben uitgeoefend op het al dan niet afsluiten van de transactie waarvoor de toe te rekenen kennis relevant is. De A-G meent dat de enkele vaststelling dat iemand gedurende een bepaalde periode bedrijfsleider, directeur of (mede)eigenaar van een organisatie is geweest onvoldoende is om toerekening van kennis aan die organisatie te rechtvaardigen, nu deze functies een nogal uiteenlopende betekenis kunnen hebben en het hof bijvoorbeeld niet heeft vastgesteld welke zeggenschap deze functies binnen Distelberg c.s. opleverden. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof op meerdere gronden. Omtrent de toerekening van kennis overweegt de Hoge Raad slechts dat “de enkele vaststelling dat iemand gedurende een bepaalde periode bedrijfsleider, directeur of (mede)eigenaar van een bedrijf is geweest, onvoldoende is om kennis van deze persoon aan dat bedrijf toe te rekenen.” Waarom dat onvoldoende is, wat dan wél voldoende zou zijn en aan de hand van welke maatstaf dat kan worden bepaald, laat de Hoge Raad – anders dan A-G Timmerman – in het midden. Mogelijk vindt dit zijn verklaring in het feit dat de Hoge Raad het arrest van het hof ook op veel andere punten onvoldoende gemotiveerd achtte; de toerekening van kennis lijkt voor de Hoge Raad een ondergeschikt punt.
524. Ik vind het niet zo gek om in deze situatie de kennis van Keijzer en Van der Leeuw toe te rekenen aan Distelberg c.s. Zeker niet nu, zo blijkt uit mijn eigen onderzoek in het Handelsregister, Keijzer in de periode dat de overeenkomst werd gesloten, statutair bestuurder was van zowel Distelberg BV als van de beherend vennoot van Helmberg CV en bevoegd was hen zelfstandig te vertegenwoordigen. Deze informatie is kennelijk tijdens de procedure door geen van de partijen aangeleverd. Maar ook zonder die informatie acht ik verdedigbaar dat het voor risico van Distelberg c.s. komt indien een directeur of bedrijfsleider die betrokken is bij de litigieuze overeenkomst, ook al is dat niet namens Distelberg c.s., verzuimt de vertegenwoordigers van Distelberg c.s. in te lichten over een hem bekend feit dat voorzienbaar zeer relevant is voor de rechten die Distelberg c.s. op grond van die overeenkomst verkrijgt. Eveneens verdedigbaar vind ik dat het voor risico van Distelberg c.s. komt indien haar voormalige bedrijfsleider verzuimd heeft om tijdens zijn dienstverband voor de vennootschappen dergelijke voorzienbaar relevante informatie op te slaan of door te geven (ervan uitgaand dat Distelberg c.s. ook tijdens het dienstverband van Van der Leeuw al zaken deed met HCI).
525. Wat in het onderhavige geval van groot belang lijkt te zijn geweest, is dat dit geen toerekeningsgeval ‘sec’ was, maar een zogenoemd vertrouwensgeval.4 Met andere woorden: de centrale vraag was niet ‘wist Distelberg c.s. dat niet Van der Meulen, maar Tegelgigant BV vennoot van HCI was?’ maar ‘in hoeverre mocht Robby van der Meulen erop vertrouwen dat Distelberg c.s. zich realiseerde dat niet Van der Meulen, maar Tegelgigant vennoot van HCI was?’ Van der Meulen zal hebben bemerkt dat niet de naam van zijn vennootschap, maar zijn eigen naam werd opgenomen in de verklaring over aansprakelijkheid van de vennoten van de v.o.f. jegens Distelberg c.s. Hij zal ook hebben bemerkt dat in het geheel niet ter sprake kwam dat Robby van der Meulen niet langer in privé vennoot was. Daarmee wist hij of behoorde hij te weten dat de handelende functionarissen van Distelberg c.s. zich niet realiseerden dat niet Robby van der Meulen in persoon, maar Tegelgigant vennoot was. In die omstandigheden lag het mogelijk op de weg van Robby van der Meulen om zijn medecontractanten te waarschuwen of te corrigeren. Dit komt niet goed uit de verf in de overwegingen de Hoge Raad over toerekening van kennis (en overigens ook niet in die van de A-G), maar wel in zijn oordeel over een andere klacht incassatie. Volgens Distelberg c.s. had het hof ten onrechte met een aantal omstandigheden geen rekening gehouden toen het overwoog dat geen omstandigheden waren gesteld of gebleken op grond waarvan Van der Meulen had moeten begrijpen dat Distelberg c.s. ervan uitgingen dat Van der Meulen nog steeds vennoot was, of hij Distelberg c.s. uitdrukkelijk had moeten wijzen op het feit dat Tegelgigant in zijn plaats was getreden als vennoot. De Hoge Raad achtte dit oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd.