Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.2.3
3.4.2.3 Aansprakelijkheid uit wanprestatie bij de maatschap: HR Biek Holding
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS391516:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kingma 2013, p. 219.
Reijnen 2015.
De Hoge Raad heeft in het Biek-arrest bevestigd dat een openbare maatschap een afgescheiden vermogen heeft (zie tussen haakjes in r.o. 3.4.5). Over wat het afgescheiden vermogen precies inhoudt, volgt meer in paragraaf 3.4.2.5.
D.w.z. naast de aansprakelijkheid die voortvloeit uit art. 7A:1679-1681 BW.
Als zij tenminste vennoot waren ten tijde van het ontstaan van de schuld. Zie over deze problematiek ook Van Veen 2015 en Van Veen 2016.
HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, JOR 2013/133, m.nt Blanco Fernández.
Kingma 2013, p. 219.
Nijland 2015, p. 132. Zie ook HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, JOR 2013/133, JOR 2013/133, m.nt. Blanco Fernández.
HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, JOR 2013/133, m.nt. Blanco Fernández.
Nijland 2015, p. 133.
Zie Blanco Fernández in zijn noot onder HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, JOR 2013/133.
Nijland 2015, p. 133.
Reijnen 2013.
Hendriksen 2013.
Zie voor de omschrijving van deze vorm van aansprakelijkheid paragraaf 3.2.1.
De Hoge Raad bevestigde dit in zijn uitspraak van 18 september 2015: HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2745, JOR 2015/289, m.nt. Kortmann (Alasco Vastgoed), nr. 6.
Reijnen 2013, Hendriksen 2013.
Zijnde natuurlijke dan wel rechtspersonen (bijv. een praktijk-BV).
Van Veen is overigens kritisch over de(ze) overweging van de Hoge Raad ten aanzien van de omvang van de aansprakelijkheid van de vennoten die zijn toegetreden tot de maatschap na het aanvaarden van de opdracht maar voordat de fout werd gemaakt (zie Van Veen 2016). Van Veen vindt het verwonderlijk dat de Hoge Raad de aansprakelijkheid tot vergoeding van de schade in dit kader baseert op art. 7A:1679 BW e.v. omdat volgens hem in deze artikelen uitdrukkelijk staat dat een maat slechts aansprakelijk is voor verbintenissen van de maatschap indien en voor zover hij hiertoe volmacht heeft verleend. Volgens Van Veen zien art. 7A:1679 e.v. slechts op verbintenissen uit rechtshandelingen en niet op verbintenissen uit de wet. Hierover bestaat in de literatuur echter discussie, ik zal hier nader op ingaan in paragraaf 3.4.2.4.
In het arrest Biek Holding/A c.s. stond de aansprakelijkheid van de vennoten van een advocatenmaatschap voor een door een van de vennoten gemaakte beroepsfout centraal. Biek had een aantal opdrachten tot het uitvoeren van werkzaamheden verstrekt aan deze maatschap. A was via zijn BV als vennoot (en advocaat) aan de maatschap verbonden. Daarnaast werkten er nog vier advocaten (B, C, D en E) in de maatschap, allen via een praktijkvennootschap aan de maatschap verbonden. A had vervolgens uitvoering gegeven aan de overeenkomst van opdracht en in zijn hoedanigheid van advocaat werkzaamheden verricht voor Biek. Toen A hierbij bepaalde termijnen overschreed en daarmee volgens Biek beroepsfouten beging, stelde Biek de maatschap en al haar vennoten aansprakelijk voor de door hem geleden schade. Hij dagvaardde hierop alle vijf de advocaten in persoon. E was in de periode waarin de beroepsfouten zouden zijn gepleegd noch persoonlijk noch via een praktijkvennootschap aan de maatschap verbonden. De overige vennoten wel. Ten tijde van de dagvaarding in eerste instantie stonden de namen van A c.s. op het briefpapier van de maatschap. In feite bestond de maatschap ten tijde van de dagvaarding echter uit hun BV’s.
Het Gerechtshof Amsterdam wees de vorderingen van Biek af. Volgens het hof had Biek namelijk niet de individuele vennoten, maar de maatschap moeten dagvaarden omdat laatstgenoemde de contractuele wederpartij van Biek was. Daartoe had Biek volgens het hof de dagvaarding hetzij aan de maatschap kunnen uitbrengen, hetzij aan vennoten van de maatschap: de praktijkvennootschappen. Het dagvaarden van de natuurlijke personen was volgens het hof echter niet toereikend.1
Biek ging hierop in cassatie. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Gerechtshof Amsterdam op bijna alle punten en verwees de zaak naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere afdoening.
In het arrest van de Hoge Raad liepen twee grondslagen voor aansprakelijkheid naast elkaar. Allereerst speelde de aansprakelijkheid van de maten die volgt uit de specifieke bepalingen over de maatschap in Boek 7A BW (artikel 7A:1679-1681 BW) en die geldt voor alle overeenkomsten van de maatschap. Daarnaast was de aansprakelijkheid voortvloeiende uit de (specifieke) overeenkomst van opdracht aan de orde. Uit het arrest blijkt dat deze twee aansprakelijkheidsgronden naast elkaar kunnen bestaan.2
De Hoge Raad overwoog ten aanzien van de aansprakelijkheid van de vennoten van een maatschap namelijk het volgende (rechtsoverweging 3.4.2):
‘De maatschap heeft geen rechtspersoonlijkheid. Indien een overeenkomst wordt gesloten met een maatschap, zijn daarom de individuele maten jegens de wederpartij persoonlijk aansprakelijk voor de nakoming van de daaruit voortvloeiende verplichtingen van de maatschap. Is sprake van een deelbare prestatie, dan zijn de maten aansprakelijk voor gelijke delen (7A:1679-1681 BW). Ingeval evenwel, zoals hier, sprake is van een door de maatschap aanvaarde opdracht, dan is op grond van art. 7:407 lid 2 BW iedere maat jegens de opdrachtgever aansprakelijk voor het geheel. De persoonlijke aansprakelijkheid jegens de contractuele wederpartij op grond van deze artikelen blijft bestaan indien de maat uittreedt.
Vorderingen uit een overeenkomst die met een maatschap is aangegaan, kunnen ook worden ingesteld tegen de maatschap als zodanig (en in dat geval bij toewijzing worden verhaald op het vermogen van de maatschap dat een afgescheiden vermogen vormt; vgl. voor dit laatste art. 3:192 BW in verbinding met 3:189 lid 2 BW met betrekking tot de ontbonden maatschap). Aangezien een maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, dienen dergelijke vorderingen te worden ingesteld tegen de gezamenlijke (rechts)personen die ten tijde van de dagvaarding maat zijn. Zoals is aanvaard in HR 5 november 1976, LJN AB7103, NJ1977/586 (Moret Gudde Brinkman), kan in de dagvaarding worden volstaan met de vermelding van de naam van de maatschap indien de gezamenlijke maten onder die naam op voor derden duidelijke kenbare wijze aan het rechtsverkeer deelnemen. De mogelijkheid om aldus de maatschap in rechte te betrekken doet niet af aan de daarnaast bestaande (en eventueel daarmee te combineren) mogelijkheid om de individuele (rechts)personen die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst maat waren, in rechte te betrekken ter zake van hun hiervoor genoemde persoonlijke aansprakelijkheid. De schuldeisers van de maatschap hebben dus zowel de mogelijkheid van het aanspreken van de gezamenlijke maten (met de mogelijkheid van het verhaal op het maatschapsvermogen) als van het aanspreken van de individuele (rechts)personen die ten tijde van het aangaan van de overeenkomst partij waren (met de mogelijkheid van verhaal op hun privévermogens).’
In rechtsoverweging 3.5.1. werkt de Hoge Raad het aansprakelijkheidsvraagstuk verder uit ten aanzien van de vraag welke maten nu precies op welk moment en op welke manier aansprakelijk zijn:
‘(…) Degene die maat is op het tijdstip dat de in art. 7:407 lid 2 BW bedoelde opdracht is aanvaard, is in beginsel op grond van die bepaling voor het geheel aansprakelijk ter zake van een tekortkoming in de nakoming daarvan. Degene die maat is op het tijdstip dat de betrokken schuld van de maatschap ontstaat, is daarvoor voor een gelijk deel aansprakelijk op grond van art. 7A:1679-1681 BW. Anders dan het hof tot uitgangspunt heeft genomen, vallen geen nadere eisen te stellen voor persoonlijke aansprakelijkheid van de maten. In het geval van [verweerder 5] is derhalve voor persoonlijke aansprakelijkheid reeds voldoende dat hij in 2000 als maat is toegetreden tot de maatschap, na welk tijdstip een deel van de door [eiseres] gestelde schulden is ontstaan, en in het geval van [verweerder 4] dat hij maat was toen de opdrachten door de maatschap werden aanvaard of toen de door [eiseres] gestelde schulden zijn ontstaan.’
Indien een overeenkomst wordt gesloten met een maatschap (d.w.z. de maatschap gebonden is), dan zijn de individuele maten, (ook) volgens de Hoge Raad, dus allereerst, (in alle gevallen) op grond van Boek 7A BW (artikel 7A:1679-1681 BW) persoonlijk aansprakelijk voor de nakoming van daaruit voortvloeiende verplichtingen van de maatschap. Artikel 7A:1680 BW spreekt over een aansprakelijkheid voor gelijke delen. Deze regel geldt, zoals ook de Hoge Raad aangeeft, logischerwijs slechts voor deelbare prestaties, bijvoorbeeld het betalen van een geldsom. Indien het een ondeelbare prestatie betreft, zoals de verplichting tot levering van een zaak of dienst, geldt op grond van artikel 6:6 BW hoofdelijke aansprakelijkheid. In het kader van beroepsbeoefening (en de dienstverlening die daarmee gepaard gaat) zal vaak sprake zijn van dergelijke ondeelbare prestaties en daarmee dus van hoofdelijke aansprakelijkheid. Waar het echter meer ‘algemene’ overeenkomsten betreft, zoals de aankoop van kantoormeubilair of een huurovereenkomst die namens de maatschap wordt aangegaan, geldt dat de wederpartij alle vennoten voor een gelijk deel kan aanspreken (in hun privévermogen). Zoals ook de Hoge Raad aangeeft, kan de wederpartij zich uiteraard ook verhalen op het afgescheiden vermogen3 van de maatschap zelf.
Daarnaast zijn, zoals ook besproken in paragraaf 3.2.1, de bepalingen van titel 7.7 BW (Opdracht) van toepassing als er sprake is van een overeenkomst van opdracht. Indien de opdracht door de maatschap wordt aanvaard, betekent dit (volgens de Hoge Raad) dat iedere maat tegenover de opdrachtgever (tevens4) aansprakelijk is voor het geheel (artikel 7:407 lid 2 BW).
De Hoge Raad overweegt bovendien dat de persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten (op basis van beide gronden) blijft bestaan als zij uittreden.5
De vennoot van een maatschap die tekortschiet als opdrachtnemer is dus (tegelijkertijd) op twee gronden aansprakelijk. In zijn noot onder het arrest duidt Blanco Fernández deze twee grondslagen aan als vennootschappelijke aansprakelijkheid (aansprakelijkheid in hoedanigheid van vennoot van een aansprakelijke maatschap (artikel 7A:1680 BW)) en buitenvennootschappelijke aansprakelijkheid (aansprakelijkheid als mede-opdrachtnemer (artikel7:407 lid 2 BW)).6 Kingma voegt hier, naar mijn mening terecht, aan toe dat artikel 7:407 lid 2 BW niet derogeert aan de toepasselijkheid van artikel 7A:1680 BW. Volgens hem zijn het cumulatieve grondslagen voor aansprakelijkheid: ‘als een vennoot van een maatschap bij tekortschieten in een opdrachtrelatie aantoont dat de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend, is hij, zo lijkt mij, nog steeds voor gelijke delen aansprakelijk op grond van art. 7A:1680 BW. De hoedanigheid van vennoot wordt immers niet aangetast door het ontbreken van toerekenbaarheid bij de wanprestatie.’7
In de literatuur is kritiek geuit op de manier waarop de Hoge Raad artikel 7:407 lid 2 BW uitlegt. De Hoge Raad geeft in het Biek-arrest een ruime uitleg van artikel 7:407 lid 2 BW. Hij neemt, zoals gezegd, op grond van artikel 7:407 lid 2 BW hoofdelijke aansprakelijkheid van alle maten aan indien de maatschap een overeenkomst van opdracht heeft aanvaard, ook zonder dat een maat persoonlijk betrokken is (geweest) bij het aannemen of uitvoeren van de opdracht.
Mohr & Meijers, Blanco Fernández en Nijland pleiten voor een meer restrictieve uitleg van artikel 7:407 lid 2 BW. Volgens Blanco Fernández en Nijland miskent de Hoge Raad met zijn uitleg dat de vennootschap ondanks het ontbreken van rechtspersoonlijkheid deelneemt aan het rechtsverkeer.8 ‘In deze voorstelling [de voorstelling van de HR, SvdW] is het niet de vennootschap, maar zijn het de vennoten die in juridische zin aan het verkeer deelnemen.”9 Hiermee lijkt het volgens Nijland alsof de Hoge Raad een noodzakelijk verband legt tussen het ontberen van rechtspersoonlijkheid voor de maatschap en de aansprakelijkheid van de maten.10 Blanco Fernández merkt op dat dit waarschijnlijk niet hetgeen is dat de Hoge Raad bedoeld heeft te zeggen: ‘wat de Hoge Raad waarschijnlijk bedoelt, is dat de aansprakelijkheid die het juridische spraakgebruik aan de vennootschap toerekent in normatieve zin aan de vennoten moet worden toegerekend omdat de vennootschap niet als rechtssubject bestaat’.11
Volgens Nijland is het feit dat alle maten hoofdelijk aansprakelijk zijn bij een door de maatschap aanvaarde opdracht (derhalve) niet zo vanzelfsprekend als de overwegingen van de Hoge Raad doen voorkomen. Hij betoogt dat deze zelfs erg ver gaan omdat ‘hiermee voorbij lijkt te worden gegaan aan het uitgangspunt van de wettelijke regeling van de maatschapsfiguur voor wat betreft de aansprakelijkheid van de maten’.12 Hij verwijst naar Mohr & Meijers die stellen ‘dat hier de (meer restrictieve) uitleg past dat art. 7:407 lid 2 BW slechts ziet op het geval dat een “team” van beroepsbeoefenaars (eventueel bestaande uit een aantal van een kantoor, bureau of praktijk deel uitmakende, maten) zich jegens de opdrachtgever verbindt de gegeven (wellicht omvangrijke) opdracht uit te zullen voeren’.
Op basis van deze redenering zou er dus onderscheid kunnen worden gemaakt tussen de situatie waarin een enkele maat een opdracht aanneemt en de gevallen waarin twee of meer maten gezamenlijk een opdracht aannemen. Nijland noemt een, mijns inziens, belangrijk argument vóór deze restrictieve uitleg. Volgens hem betekent een ruime uitleg van artikel 7:407 lid 2 BW namelijk dat in feite een automatische risicoaanvaarding van toepassing is voor alle maten in een maatschap indien de maatschap de opdracht aanneemt; er bestaat dan nauwelijks ruimte meer voor de disculpatiemogelijkheid die artikel 7:407 lid 2 BW biedt. Op grond van dit artikel is immers ieder van de personen die tezamen een opdracht hebben ontvangen voor het geheel aansprakelijk ter zake van een tekortkoming in de nakoming, tenzij de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend. Met Nijland ben ik van mening dat wanneer bij de kwalificatie als maat, ongeacht persoonlijke betrokkenheid bij het aannemen van een opdracht, reeds hoofdelijke verbondenheid bestaat, hiermee de toerekening al vast lijkt te staan.
Naast de ruime uitleg van artikel 7:407 lid 2 BW is opvallend aan het Biek-arrest dat de Hoge Raad in zijn overweging ten aanzien van aansprakelijkheid op grond van artikel 7A:1679-1681 BW en 7:407 lid 2 BW steeds spreekt over ‘persoonlijke aansprakelijkheid’. Deze term zou tot verwarring kunnen leiden want: wat als de vennoten, zoals ook in casu het geval, via hun praktijkvennootschap deelnemen aan de maatschap? Zijn zij dan toch met hun privévermogen aansprakelijk? Het lijkt erop dat de Hoge Raad dit niet voor ogen heeft. Behalve van ‘persoonlijke aansprakelijkheid’ spreekt hij immers ook van ‘individuele (rechts)personen’. De Hoge Raad vereenzelvigt de individuele advocaten dus niet met hun praktijk-BV’s.13 Dit betekent dat indien een persoon via een praktijkvennootschap maat is in een maatschap, de schuldenaar bij verhaal op het privévermogen van de vennoot uitkomt bij het vermogen van de praktijkvennootschap en niet bij het privévermogen van de achterliggende natuurlijke persoon.14
Dit is anders bij de derde (en laatste) aansprakelijkheidsgrond die de Hoge Raad bespreekt in zijn arrest: de aansprakelijkheid voor een tekortkoming in de nakoming van de opdracht verleend met het oog op een persoon (artikel 7:404 BW).15 In rechtsoverweging 3.7 zegt de Hoge Raad hierover:
‘(…) Art. 7:404 BW houdt in dat indien een opdracht is verleend met het oog op een persoon die met de opdrachtnemer of in zijn dienst een beroep of bedrijf uitoefent, die persoon gehouden is de betrokken werkzaamheden zelf te verrichten, behoudens voor zover uit de opdracht voortvloeit dat hij deze onder zijn verantwoordelijkheid door anderen mag laten verrichten. Voor eventuele tekortkomingen in de uitvoering van die opdracht is die persoon in dat geval naast de opdrachtnemer hoofdelijk aansprakelijk. Bij deze regeling is onder andere gedacht aan de advocaat die werkzaam is in maatschapsverband, waarbij de maatschap optreedt als opdrachtnemer (Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 329-333).
Tegen de achtergrond van het voorgaande geeft het hiervoor in 3.3 onder (d) vermelde oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is dat oordeel niet naar behoren gemotiveerd. De door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat [verweerder 1] zijn beroep van advocaat uitoefent door middel van een praktijkvennootschap en het die vennootschap is die maat is van de maatschap, sluit niet uit dat de opdracht met het oog op de persoon van [verweerder 1] is verleend, noch dat [verweerder 1] op grond daarvan persoonlijk aansprakelijk is voor tekortkomingen in de uitvoering van de opdracht. In dit geval staat vast dat [verweerder 1] in de (aaneengesloten) periode van 1994 tot 2004 als advocaat de opdrachten heeft uitgevoerd (zie hiervoor in 3.1 onder (i)).’
Voor aansprakelijkheid voortvloeiende uit artikel 7:404 BW biedt een eventuele praktijkvennootschap dus geen bescherming.16 Voor eventuele tekortkomingen in de uitvoering van de opdracht is de persoon die de opdracht uitvoert (of zou moeten hebben uitvoeren), naast de opdrachtnemer, hoofdelijk aansprakelijk. De schuldeiser kan verhaal nemen op het privévermogen van de betreffende vennoot.17
Samengevat kan uit het Biek-arrest ten aanzien van de aansprakelijkheid van de maten van een (openbare) maatschap voor een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis het volgende worden afgeleid:
Uitgaande van gebondenheid van alle maten (c.q. de maatschap) jegens een derde zijn zij bij deelbare prestaties op grond van artikel 7A:1680 BW aansprakelijk voor gelijke delen. Wanneer het ondeelbare prestaties betreft, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor het geheel (artikel 6:6 BW). In beide gevallen geldt dat de schuldeiser zich zowel op het afgescheiden vermogen van de maatschap als op de privévermogens van de vennoten18 kan verhalen. De aansprakelijkheid op grond van artikel 7A:1680 jo. 6:6 BW geldt voor alle (rechts)personen die ten tijde van het ontstaan van de schuld vennoot waren en blijft bestaan na hun uittreden.
Wanneer er sprake is van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW, bestaat daarnaast een hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 7:407 lid 2 BW voor alle (rechts)personen die ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van opdracht vennoot waren. Ook deze aansprakelijkheid blijft bestaan na hun uittreden. De maat die pas later toetreedt maar wel maat is op het tijdstip dat de betrokken schuld van de maatschap (uit hoofde van toerekenbare tekortkoming) ontstaat, is daarvoor voor een gelijk deel aansprakelijk op grond van artikel 7A:1679-1681 BW.19
Artikel 7:404 BW biedt een afzonderlijke grondslag voor individuele aansprakelijkheid van de vennoot met het oog op wie de opdracht is verleend. Deze persoon is naast de maatschap (zijnde opdrachtnemer) hoofdelijk aansprakelijk voor de uitvoering van de opdracht en bij eventuele tekortkomingen in de nakoming ervan aansprakelijk met zijn privévermogen.