Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.6.3.2.1
II.6.3.2.1 Bestraffing
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS381327:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Neerhof in zijn noot bij ABRvS 27 maart 2002, AB 2002/195 en JB 2002/124 m.nt. Albers (Dutch Courage Management): ‘Ook een herstelsanctie kan met name op het bewerkstelligen van normconform gedrag in de toekomst zijn gericht. Zo kan een last onder dwangsom (mede) tot doel hebben een voortduren van de overtreding of een herhaling van de overtreding te voorkomen (art. 5:32 lid 2 Awb). Het dwangsombesluit mag er echter niet toe strekken dit doel te bereiken via leedtoevoeging aan de overtreder en is daarom geen punitieve sanctie.’
Vgl. artikel 5:2 lid 1 aanhef en onder c Awb. Waarbij ook hier moet worden aangetekend dat deze definitie niet direct van toepassing is op de intrekking van beschikkingen bij wijze van bestraffende sanctie. Zie Kamerstukken II 2004/04, 29702, nr. 3, p. 76. Dieperink drukt het als volgt uit: ‘Het criterium dat wordt gehanteerd om te beoordelen of sprake is van een reparatoire intrekking dan wel een punitieve intrekking betreft, of de intrekking alleen is gericht op het bewerkstelligen van normconform gedrag, of ook ertoe strekt geïndividualiseerd concreet nadeel toe te voegen aan de overtreder.’ Zie Dieperink 2003, p. 74.
Zie onder meer ABRvS 27 maart 2002, AB 2002/195 m.nt. Neerhof en JB 2002/ 124 m.nt. Albers (Dutch Courage Management), ABRvS 20 november 2002, JB 2003/18 m.nt. Albers (Regionale Zeeuwsch-Vlaamse Woningbouwvereniging), ABRvS 20 november 2002, AB 2003/73 m.nt. Verheij en ABRvS 11 mei 2005, Gst. 2005/194 m.nt. Albers (Coffeeshop Enschede) en ABRvS 2 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2763 (Harry’s American Bar). Zie voor een ander criterium: ABRvS 4 juni 1996, JB 1996/172 m.nt. Van der Linden en RAwb 1996/110 m.nt. De Waard (Huisman APK), waarin de Afdeling overweegt dat sprake is van een bestraffende sanctie indien deze is gericht op ‘het bevorderen van de naleving van rechtsnormen door middel van toevoeging van extra leed, ter afschrikking’.
ABRvS 28 oktober 2009, JB 2009/268 m.nt. Albers en ABRvS 22 juli 2009, Gst. 2010/28 m.nt. Kessen (The Comic). Zie voorts ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012: BX5952.
Albers in haar noot bij ABRvS 28 oktober 2009, JB 2009/268 m.nt. Albers. Zie ook Albers 2014, p. 49.
Michiels en De Waard 2007, p. 11.
Vgl. ABRvS 8 september 2010, AB 2010/307 m.nt. Tollenaar en Vermeer en Gst. 2010/118 m.nt. Rogier, waarin de Afdeling overweegt: ‘Dit brengt met zich dat de toepassing van bestuursdwang er in een geval als het onderhavige slechts toe mag strekken overtredingen van de Opiumwet zoals door de burgemeester geconstateerd op grond van artikel 13b, eerste lid, van deze wet te beëindigen en te voorkomen. Een verdergaande uitoefening van deze bevoegdheid zou tot gevolg hebben dat de sanctie niet enkel meer het karakter van herstelmaatregel heeft maar een leedtoevoegend karakter krijgt.’
In haar dissertatie uit 2002 verwijst zij naar Duk 1988, p. 105-106. Zie Albers 2002, p. 36.
Zie onder meer Albers 2002, p. 52, Albers 2009, p. 175 en Albers 2014, p. 27.
Ten aanzien van het laatste deel van het criterium in dezelfde zin: Schreuder-Vlasblom 2013, p. 79.
Van de Griend 2003, p. 37.
Het feitelijk ongedaan maken van de overtreding lijkt mij sowieso minder goed voorstelbaar, want een eenmaal begane overtreding valt op zichzelf niet meer ongedaan te maken. Enkel de gevolgen van de overtreding kunnen worden aangetast. Dat is ook de opvatting van Van de Griend zelf; zie Van de Griend 2003, p. 37.
Van een herstelsanctie is, zoals gezegd, sprake wanneer de sanctie strekt tot herstel van de rechtmatige toestand. Deze situatie kan worden bereikt door onder meer de overtreding te beëindigen of de gevolgen van de overtreding ongedaan te maken. Een herstelsanctie strekt ertoe de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met het recht. Een bestraffende sanctie gaat verder dan dat. Hoewel ook een bestraffende sanctie ertoe strekt normconform gedrag te bewerkstelligen,1 is de wijze waarop dit geschiedt anders dan bij herstelsancties het geval is. Kenmerkend voor een bestraffende sanctie is dat deze ertoe strekt normconform gedrag te bewerkstelligen door middel van leedtoevoeging.2 De Afdeling bestuursrechtspraak formuleert dit ook wel als
‘het bewerkstelligen van normconform gedrag door toevoeging van geïndividualiseerd concreet nadeel’.3
Een opvallend criterium hanteerde de Afdeling in een uitspraak inzake de intrekking van een exploitatievergunning in relatie tot art. 6 EVRM. De Afdeling meende dat de intrekking niet kon worden aangemerkt als een criminal charge in de zin van dat artikel
‘nu deze intrekking niet is gericht op het toebrengen van concreet nadeel dat verder gaat dan herstel van de rechtstoestand vóór de verlening van de vergunning’.4
Albers signaleert mijns inziens terecht dat wanneer dat criterium wordt gehanteerd iedere intrekking van een vergunning een herstelsanctie oplevert. Van een bestraffende intrekking zou dan nimmer sprake kunnen zijn.5 Immers, intrekking van een vergunning leidt er altijd toe dat de rechtstoestand ontstaat waarvan voor de verlening van de vergunning sprake was, namelijk de situatie waarin nog geen vergunning was verleend. Voor vergunningverlening beschikte de burger niet over een vergunning omdat deze nog niet was verleend, en ook na intrekking beschikt de burger niet meer over een vergunning, omdat deze is ingetrokken. Betwijfeld kan worden of de Afdeling dit zo heeft bedoeld.
Michiels en De Waard stellen dat het nadeel bestaat uit een verplichting tot doen of nalaten dan wel het onthouden of ontnemen van voordeel. Het nadeel moet vervolgens groter zijn dan het nadeel ten gevolge van het alsnog moeten voldoen aan de wettelijke verplichtingen. Tot slot moet het nadeel onvoorwaardelijk zijn. Daarvan is naar hun mening sprake wanneer verder wordt gegaan dan herstel, dan wel wanneer herstel niet meer mogelijk is en toch een sanctie wordt opgelegd.6,7 Ook Albers heeft zich uitgesproken over wat onder leedtoevoeging moet worden verstaan. Zij heeft in dat kader een materieel criterium geformuleerd. Op grond van dit criterium is sprake van leedtoevoeging indien een sanctie verder gaat dan herstel van de onrechtmatige situatie vergt8 herstel van de rechtmatige toestand niet meer mogelijk is en de sanctie niet slechts schadevergoeding behelst, dan wel indien datgene waarop ondanks de gepleegde overtreding aanspraak is blijven bestaan, wordt onthouden of ontnomen.9,10 Van de Griend heeft kritiek geuit op dit criterium. Zij is van mening dat een eenmaal gepleegde overtreding zich niet met terugwerkende kracht ongedaan laat maken. Dit heeft volgens haar tot gevolg dat geen enkele sanctie op basis van het tweede deel (herstel van de rechtmatige toestand is niet meer mogelijk) van het materiële criterium als herstelsanctie zou kunnen worden aangemerkt.11 Ik zou denken dat dat een te beperkte lezing is van het criterium van Albers. Herstel is een ruim begrip (zie hiervoor) en omvat (mede) het ongedaan maken van de gevolgen van de overtreding en het beëindigen van de overtreding. Het opvatten van herstel als slechts het ongedaan maken van de overtreding lijkt mij dan ook te beperkt.12