Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/5.1.3
5.1.3 Aanleiding van de Kabelarresten
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS489138:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1997, nr. 298.
Zie A.A. van Velten, ‘Het zakenrechtelijk statuut van nutsleidingen in het Nederlandse recht, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Studie van het recht van België en Nederland’, TPR 2004-4, p. 3-29.
Zie B.A.M. Janssen, Wie heeft de leiding? De eigendom van kabel- en leidingnetten, (diss. Utrecht) Deventer: Kluwer 2010, p. 23, E. Mak, ‘Roerend of onroerend? Een onderzoek naar de goederenrechtelijke kwalificatie van Telecomkabels’, AA 2002, p. 6, Asser-Mijnssen-Van Velten-Van Dam, 2002, nr. 90, M.M. Roggenkamp, Het juridisch kader van pijpleidingen in de olie- en gasindustrie: de Regulering van Petroleum Pijpleidingen in de Europese Gemeenschap, Nederland en de Noordzee, (diss. Leiden), Antwerpen: Intersentia 1999, p. 287, H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, (diss. Leiden) Deventer: Kluwer 1997 p. 313 en A.A. van Velten, ‘De eigendom van ondergrondse telecomnetten’, WPNR 1997/ 6285.
Zie: Kamerstukken II 2005/06, 29 834, 11, p. 5.
MvT, Kamerstukken II 1997/98, 25 533, nr. 5, p. 74.
Zie bijvoorbeeld de discussie gevoerd in: B. Wessels en R.G. Snouckaert van Schauburg, ‘Telecom-kabels zijn van rechtswege roerend’, WPNR 2000/6411, p. 533, met reactie van T.H.D. Struycken WPNR 2000/6424.
Met de Kabelarresten maakte de Hoge Raad een eind aan de discussie die bestond over de vraag of kabelnetten als roerende of onroerende zaken aangemerkt diende te worden. Hoewel Beekhuis reeds vóór invoering van Boek 5 NBW pleitte voor een afzonderlijke regeling voor kabels en leidingen, werd zo een regeling niet opgenomen in het huidige BW.1 Waarschijnlijk omdat destijds weinig noodzaak bestond voor een aparte regeling. Door de toenemende privatisering van (voorheen door gemeenten geëxploiteerde) kabelnetwerken ontstond deze behoefte echter wel.2 Hoewel in de literatuur over het algemeen aangenomen werd dat kabels en leidingen als onroerende zaken aangemerkt dienden te worden,3 bestond hier wel discussie over.4 Deze discussie kon ontstaan door de enigszins cryptische bepaling van lid 1 van art. 36 WTv, dat luidde:
“De aanleg van kabels en netwerkaansluitpunten door de houder van de concessie in en op gronden, alsmede in en aan gebouwen van anderen brengt geen wijziging in de eigendom van hetgeen is aangelegd.“
Door de inwerkingtreding van de Telecommunicatiewet (hierna: TW) op 15 december 1998 werd art. 36 WTv vervangen door (eveneens vage bepaling van) art. 5.6 TW:
“De aanleg van kabels en netwerkaansluitpunten door de aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of van een omroepnetwerk in en op gronden, alsmede in en aan gebouwen van anderen brengt geen wijziging in de eigendom van hetgeen is aangelegd.”
Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat met art. 5.6 TW het regime van art. 36 WTv gecontinueerd werd.5 Uit beide bepalingen is af te leiden dat kabels niet nagetrokken worden door de grond waarin zij worden gelegd, maar in handen blijven van de aanbieder van het netwerk. Het geeft echter geen antwoord op de vraag of de kabels roerend of onroerend zijn. Dit gaf ruimte voor discussie,6 waaraan de Hoge Raad door middel van het wijzen van de Kabelarresten een einde maakte.
De kwalificatie van kabel- en leidingnetten als onroerende zaken is mijns inziens in lijn met de ruime uitleg die door middel van de Portacabincriteria gegeven wordt aan de woorden “duurzaam verenigd met de grond” van art. 3:3 lid 1 BW. Een kabelnetwerk is immers ontegenzeggelijk een werk dat bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Ook wanneer men naar verkeersopvatting zou beoordelen of het bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, zal het geheel als onroerende zaak te kwalificeren zijn. Maar wat heeft als ‘het geheel’ te gelden?