Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht
Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/6.2.6:6.2.6 Tussenconclusie
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/6.2.6
6.2.6 Tussenconclusie
Documentgegevens:
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS458060:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
168. In deze paragraaf 6.2 was de situatie aan de orde waarin het object van een beperkt recht werd gedeeld. De splitsing van het object was met name van belang om te onderzoeken omdat de uitkomst van het geval waarin een met een beperkt recht bezwaard object gedeeld wordt ons wellicht iets meer zou kunnen leren over het uniciteitsbeginsel. Zou in dergelijke gevallen bijvoorbeeld aangenomen worden dat na splitsing van het object, het beperkte recht als één geheel blijft voortbestaan op de twee nieuwe objecten, dan houdt dat een uitzondering op het uniciteitsbeginsel in. Een dergelijke uitkomst zou ertoe kunnen leiden dat eerdere conclusies moeten worden bijgesteld. Omgekeerd zouden eerdere conclusies aan kracht kunnen winnen indien bevestigd wordt dat ook in deze situatie het uniciteitsbeginsel gehanteerd wordt. Het in de vorige paragrafen besprokene laat zien dat ook bij splitsing van het object van een beperkt recht, het resultaat daarvan niet leidt tot een uitzondering op het uniciteitsbeginsel.