Fusies en overnames in de Europese BTW
Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/6.3.5.2:6.3.5.2 Het arrest Harnas & Helm
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/6.3.5.2
6.3.5.2 Het arrest Harnas & Helm
Documentgegevens:
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS412098:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 20 juni 1991, nr. C-60/90, FED 1991/633 (Polysar).
Zie bijvoorbeeld G.J. van Norden, Het concern in de BTW, Deventer: Kluwer 2007, blz. 115, A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de btw, Deventer: Kluwer 2009, blz. 184 en , M.E. van Hilten, H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Deventer: Kluwer 2014, blz. 88.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Kort na het arrest Régie Dauphinoise volgt het arrest Harnas & Helm. De zaak betreft een Nederlandse vennootschap die aandelen en obligaties houdt en daarnaast enkele leningen uitgeeft aan buiten de Europese Unie gevestigde vennootschappen. Het geschil betreft de belastingplicht en het hiermee samenhangende aftrekrecht van de vennootschap. In dit verband stelt de Hoge Raad prejudiciële vragen. De Hoge Raad stelt ten eerste de vraag of het verwerven en houden van obligaties, die niet dienstbaar zijn aan enige andere ondernemingsactiviteit, is aan te merken als een economische activiteit.
Het Hof van Justitie geeft met een verwijzing naar het arrest Polysar1 aan dat het enkele verwerven en houden van aandelen geen economische activiteit is. De financiële deelneming in andere ondernemingen is als zodanig immers niet aan te merken als exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen omdat het eventuele dividend, de opbrengst van deze deelneming, voortspruit uit de loutere eigendom van het goed. Vervolgens wijst het Hof van Justitie erop dat er mogelijkheden zijn om dergelijke activiteiten alsnog binnen de reikwijdte van de btw te verrichten. Het Hof van Justitie geeft aan dat dit het geval is bij bedrijfsmatige handel in effecten, handelingen inzake effecten die gepaard gaan met inmenging in de deelneming of wanneer deze handelingen het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk van de belastbare activiteit vormen. Vervolgens komt het Hof van Justitie tot de conclusie dat geen onderscheid dient te worden gemaakt tussen het verwerven en houden van aandelen en het verwerven en houden van obligaties. De rente-inkomsten die worden behaald met het houden van de obligaties spruiten voort uit het enkele houden daarvan. Het Hof van Justitie beantwoordt de vraag van de Hoge Raad dan ook negatief: het verwerven en houden van obligaties die niet dienstbaar zijn aan enige andere ondernemingsactiviteit, en het genieten van inkomsten daaruit, is niet aan te merken als een economische activiteit.
In dit arrest gebruikt het Hof van Justitie derhalve de verlengstukgedachte als wijze om beleggingen, die op zichzelf niet tot belastingplicht leiden, mogelijk toch binnen de reikwijdte van de btw te brengen. Hierbij kan overigens de vraag worden opgeworpen of een obligatie niet kan worden gezien als het verstrekken van kapitaal tegen vergoeding, en daarmee op zichzelf tot belastingplicht kan leiden. Het Hof van Justitie sluit echter aan bij het beleggingskarakter van de obligatie en schakelt deze hierdoor gelijk aan aandelen. Naar mijn overtuiging leidt het arrest Harnas & Helm ertoe dat de reikwijdte van de verlengstukgedachte wordt uitgebreid.
Feitelijk bestaan na Régie Dauphinoise en Harnas & Helm immers twee toepassingsmogelijkheden voor het verlengstukcriterium. Ten eerste kan het rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verband worden gebruikt om vast te stellen dat een economische activiteit die wordt verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige, al dan niet als bijkomstig kan worden aangemerkt in het kader van de toepassing van artikel 19 lid 2 Zesde BTW-Richtlijn (thans: artikel 174 lid 2 onderdeel b Btw-richtlijn). Ten tweede kan de verlengstukgedachte worden gebruikt om activiteiten die in beginsel niet als economische activiteit kunnen worden aangemerkt, binnen de reikwijdte van de btw te brengen als gevolg van de nauwe band tussen de niet-economische activiteit en de belastbare activiteiten. De eerste toepassing vloeit voort uit het arrest Régie Dauphinoise, de tweede uit het arrest Harnas & Helm. Mijn conclusie is dat in de literatuur naar aanleiding van het Harnas & Helm arrest ten onrechte is geconcludeerd dat de tweede toepassing, de verlengstukgedachte op de leest van Harnas & Helm, de enige toepassing is van de verlengstukgedachte.2