Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/8.6
8.6 Vernietiging van besluiten ex art. 2:15 lid 1 onder b jo. 2:8 BW
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS391283:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Portengen & Groenland 2007, p. 251.
Zie paragraaf 7.3 en voetnoot 18 van hoofdstuk 7.
Vgl. De Monchy & Timmerman 1991, p. 85.
Zie bijvoorbeeld HR 30 oktober 1964, NJ 1965, 107, m.nt. G.J. Scholten (Mante).
Zie ook De Monchy & Timmerman 1991, p. 89.
Sanders & Westbroek 2005, p. 280. Rensen 2005, p. 114.
Zie bijvoorbeeld Maeijer in zijn NJ-noot onder Hof Amsterdam (OK) 22 december 1983, NJ 1985, 383, m.nt. Ma (Ogem) en Van den Ingh 1991, p. 262.
Stokkermans 2010, p. 179.
Zie voor het participatiebewijs bijvoorbeeld De Monchy & Timmerman 1991, p. 85; Slagter 2005, p. 65 en Sanders & Westbroek 2005, p. 280. Anders ten aanzien van het participatiebewijs: Stokkermans 2010, p. 180. Stokkermans is van mening dat uit het Unipart-arrest en uit het RCMA-arrest niet kan worden afgeleid dat de Hoge Raad is toegekomen aan een beoordeling van de ontvankelijkheid van deze (vermeende) belanghebbenden. Naar mijn mening is de opvatting van Stokkermans onjuist, omdat participatiebewijzen een statutaire grondslag moeten hebben. Zie ook De Monchy & Timmerman 1991, p. 50.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 671; De Kluiver 1991, p. 69; Slagter 2005, p. 65; Sanders & Westbroek 2005, p. 280 en Nowak in sub 3 van zijn noot onder Rb. Amsterdam 25 augustus 2010, LJN BN4965, JOR 2010, 301, m.nt. Nowak (CFS). Slagter en Sanders &Westbroek maken tekstueel geen onderscheid in bewilligde en niet-bewilligde certificaten.
Van den Ingh 1991, p. 262; Stokkermans 2010, p. 180 en 182 en Wouters 2011, p. 239.
Rb. Amsterdam 25 augustus 2010, LJN BN4965, JOR 2010, 301, m.nt. Nowak (CFS). Zie over dit vonnis uitgebreid: Stokkermans 2010, p. 177 e.v.
r.o. 4.5.
Stokkermans 2010, p. 179.
Al ben ik met Steins Bisschop 2004, p. 97, van mening dat deze conclusie âlicht verwarrendâ kan zijn.
HR 10 november 2006, LJN AY4033, NJ 2007, 561, m.nt. H.J. Snijders, JOR 2007, 5, m.nt. P. Sanders (Groenselect), r.o. 3.5.
Verdam 1995, p. 232-233 en Stokkermans 2010, p. 180.
In gelijke zin Van den Ingh 1991, p. 262. Stokkermans 2010, p. 180, ziet onder omstandigheden daarnaast de mogelijkheid van een op art. 6:2 BW gebaseerde vordering van de houder van een certificaat zonder vergaderrecht via de bepalingen van lastgeving (7:414 en 7:419-421 BW).
Aard van het middel
In hoofdstuk 7 besprak ik de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid in relatie tot de kapitaalverschaffers zonder stemrecht. Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, zo bepaalt art. 2:8 BW. De vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid kunnen de interne verhoudingen van de vennootschap aanvullen, maar ook beperken. Aldus kunnen extra verplichtingen worden aangenomen of opgelegd, maar kan ook in voorkomende gevallen een regel krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit niet van toepassing zijn. Het artikel wordt ook wel als âkapstokâ gezien voor de bescherming van de minderheidsaandeelhouder in de flex-BV.1
Art. 2:15 lid 1 onder b BW bepaalt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens strijd met de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid.
Toetsing aan de redelijkheid en billijkheid houdt een marginale toetsing in.2 De rechter zal het orgaan dat het besluit heeft genomen de nodige ruimte laten. Vaak worden in besluitvorming belangen tegen elkaar afgewogen, welke belangen de rechter in zijn oordeel zal moeten betrekken en afwegen. De te stellen vraag is of het orgaan als redelijk handelend orgaan met afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit kon komen.3 Daarbij zal het betreffende orgaan als verweer vaak het vennootschappelijke belang betrekken.4 Een besluit kan inhoudelijk in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn, maar ook wegens de wijze waarop dat besluit tot stand is gekomen.5
Art. 2:15 lid 3 onder a BW bepaalt dat vernietiging geschiedt door een uitspraak van de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon op een vordering tegen de
rechtspersoon van iemand die een redelijk belang heeft bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen. Wat wordt verstaan onder redelijk belang? In het Lampe/Videoworks-arrest6 oordeelde de Hoge Raad dat een ontslagen directeur in zijn kwaliteit van aandeelhouder in het algemeen niet geacht moet worden steeds een redelijk belang te hebben bij vernietiging van een besluit dat in strijd met wet of statuten tot stand is gekomen. Degene die een beroep op vernietiging doet, moet een eigen belang hebben dat is of dreigt te worden geschaad. Hij moet daarbij aan zijn stelplicht voldoen en bij gemotiveerde betwisting zal hij dat belang moeten bewijzen. Ontbreekt het redelijk belang, dan heeft de vordering tot vernietiging geen kans.7 Deze lijn kan naar mijn mening worden gevolgd voor een vordering tot vernietiging van een besluit gebaseerd op strijd met de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid.8
De bevoegdheid om vernietiging van het besluit te vorderen, vervalt een jaar na het einde van de dag, waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd, zo bepaalt art. 2:15 lid 5 BW. Vernietiging is niet mogelijk bij wijze van verweer, indien de termijn van een jaar is verstreken. Wel zou in dat geval een beroep gedaan kunnen worden op art. 2:8 lid 2 BW.9 Daarnaast zou het enquĂȘterecht te hulp kunnen schieten. Ingeval van wanbeleid kan de OK besluiten vernietigen. De OK is niet aan de verjaringstermijn gebonden.10 Ook kan gedacht worden aan een vordering tot nakoming van een zorgplicht gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid.11
Welke kapitaalverschaffer zonder stemrecht komt de vordering tot vernietiging van besluiten ex art. 2:15 jo. 2:8 BW toe?
Art. 2:15 lid 3 onder a BW bepaalt dat op een vordering tegen de rechtspersoon van iemand die een redelijk belang heeft bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen de vernietiging geschiedt door een uitspraak van de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon. Onder âiemand die een redelijk belang heeftâ behoort in ieder geval degene die tot de kring van betrokkenen in de zin van art. 2:8 BW behoort. In paragraaf 7.4.2 concludeerde ik dat de stemrechtloze aandeelhouder, de aandeelhouder waarbij stemrecht is overgedragen aan de vruchtgebruiker of de pandhouder, de houder van certificaten met vergaderrecht en de houder van een participatiebewijs tot de kring van betrokkenen behoren. Deze kapitaalverschaffers zonder stemrecht komt de vordering tot vernietiging van besluiten ex art. 2:15 lid 1 onder b BW toe.12 In dezelfde paragraaf 7.4.2 concludeerde ik dat houders van certificaten zonder vergaderrecht niet tot de kring van betrokkenen in de zin van art. 2:8 BW behoren.
Uitgaande van die laatste opvatting, is de vraag of deze certificaathouders een vordering tot vernietiging van een besluit op grond van art. 2:15 lid 1 onder b BW kunnen instellen. De meningen in de literatuur onder het oude recht waren ten aanzien van de niet-bewilligde certificaathouder verdeeld. De voorstanders13 gaan ervan uit dat houders van niet-bewilligde certificaten âeen redelijk en vooral financieel belang hebben bij de naleving van de verplichtingen die in het bijzonder jegens aandeelhouders voortvloeien uit de wet, de statuten of de redelijkheid en billijkheidâ. Daarbij wordt in deze opvatting vooral gedacht aan een besluit tot winstbestemming en uitkering. De tegenstanders14 stellen zich op het standpunt dat de niet-bewilligde certificaathouder niet tot de kring van betrokkenen behoort en dat hem daarom geen vordering tot vernietiging van een besluit wegens schending van de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid toekomt.
In haar vonnis van 25 augustus 2010 van de rechtbank Amsterdam15 ging het over besluiten tot herstructurering van het aandelenkapitaal van een vennootschap als gevolg waarvan de verkoopopbrengst van de certificaten, als gevolg van achterstelling en omvang van het rendement op (andere) aandelen, lager zou zijn. Hofman c.s., als certificaathouders, maakten bezwaar. De rechtbank overwoog ten aanzien van de vraag of de niet-bewilligde certificaathouder gerechtigd is de vordering tot vernietiging van een besluit ex art. 2:15 lid 1 onder b BW in te stellen als volgt:
â4.3. Bij de beoordeling komt het aan op de vraag of [eiser sub 1] c.s. behoort tot dekring van de bij de vennootschap betrokkenen die krachtens artikel 2:8 BW zich alszodanig jegens elkaar dienen te gedragen naar hetgeen door de redelijkheid enbillijkheid wordt gevorderd. Als hij daar niet toe behoort, is immers gegeven dat hijook geen belang heeft bij naleving van die verplichting, in de zin van artikel 2:15lid 3 aanhef en onder a BW, omdat die verplichting dan jegens [eiser sub 1] c.s. nietbestaat. Tot de in artikel 2:8 BW bedoelde kring van de krachtens de wet en destatuten betrokkenen behoren ondermeer houders van met medewerking van devennootschap uitgegeven certificaten. Deze houders zijn immers krachtens de wetbij de organisatie van de vennootschap betrokken, ondermeer ingevolge de artikelen2:220 lid 2 BW (recht op het bijeenroepen van een algemene vergadering) en 3:259lid 2 BW (gezamenlijk pandrecht op de onderliggende aandelen). Of [eiser sub 1]c.s. nu, zoals hij stelt, behoort tot deze krachtens de wet bij de vennootschapbetrokkenen, is afhankelijk van de medewerking die de vennootschap aan de uitgiftevan de door hem gehouden certificaten heeft verleend. Gezien de wettelijk vastgelegdebeslotenheid van de aandeelhouderskring en het vereiste van duidelijkheidvoor de vennootschap jegens wie zij de verplichtingen ingevolge artikel 2:8 BW inacht dient te nemen, heeft alleen die medewerking van de vennootschap tot gevolgdat de door artikel 2:8 BW bestreken kring van personen wordt uitgebreid, die alseen op dat rechtsgevolg gerichte rechtshandeling van de vennootschap kan wordenaangemerkt. Ingevolge de artikelen 3:33 jo 3:59 BW vereist aldus de door devennootschap verleende medewerking, teneinde dat rechtsgevolg te bewerkstelligen,een daarop gerichte wil die zich door verklaring of gedraging van de vennootschapheeft geopenbaard. Dat is hier niet het geval. Immers, de statuten van de vennootschapschrijven voor dat aan de uitgifte van certificaten geen medewerking wordtverleend en uit de aanbiedingsbrieven aan [eiser sub 1] c.s. volgt dat hemuitdrukkelijk geen andere rechten worden verleend dan rechten die voortvloeienuit de certificaten zelf (r.o. 2.3 hiervoor). [eiser sub 1] c.s. heeft dit ook aanvaard.
4.4. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiser sub 1] c.s. niet behoort totdegenen die krachtens wet of statuten bij de organisatie van CFS zijn betrokken.Dat, zoals hij stelt, de gewraakte besluiten jegens hem naar wijze van totstandkomingof inhoud strijdig zouden zijn met de redelijkheid en billijkheid maakt dan ookniet dat sprake is van een schending van de in artikel 2:8 BW neergelegde norm, enkan derhalve geen grond opleveren voor vernietiging als bedoeld in artikel 2:15lid 1 sub b BW.â
De rechtbank voegt er nog aan toe dat niet uitgesloten kan worden dat het nemen van de besluiten onder omstandigheden onrechtmatig geoordeeld moet worden. Een daarop gebaseerde vordering tot schadevergoeding was echter niet ingesteld.16
De benadering van de tegenstanders en de rechtbank Amsterdam in haar vonnis van 25 augustus 2010 komt mij als de meest zuivere voor, omdat deze benadering uitgaat van de kring van betrokkenen van art. 2:8 BWen de wil en verklaring van de vennootschap.
Deze benadering zou ik ook willen volgen voor de houder van certificaten zonder vergaderrecht. Ingevolge art. 2:227 lid 2 BW kunnen slechts de statuten vergaderrecht aan certificaten verbinden. Dat sluit aan op de hiervoor aangehaalde overweging van de rechtbank Amsterdam: âIngevolge de artikelen 3:33 jo 3:59 BW vereistaldus de door de vennootschap verleende medewerking, teneinde dat rechtsgevolgte bewerkstelligen, een daarop gerichte wil die zich door verklaring of gedragingvan de vennootschap heeft geopenbaard.â Kort gezegd, de vennootschap, althans de algemene vergadering, verbindt aan de certificaten geen vergaderrecht. Er heeft geen âtoekenning en aanvaarding van bevoegdheden tussen de vennootschap en de certificaathouderâ plaatsgevonden.17 Daarmee heeft zij ook beoogd dat deze certificaathouder niet tot de kring van betrokkenen in de zin van art. 2:8 BW behoort. De vennootschap heeft ook niet gewild dat de houder van een certificaat zonder vergaderrecht invloed op de besluitvorming kan uitoefenen. Deze certificaathouder moet dan ook niet de mogelijkheid hebben genomen besluiten te vernietigen. Ook vanuit oogpunt van rechtszekerheid verdient het de voorkeur dat de vennootschap niet achteraf geconfronteerd wordt met een vordering tot vernietiging van een besluit door iemand waarvan zij zelf heeft bepaald dat die niet tot haar kring van betrokkenen behoort.
Concluderend stel ik mij dan ook op het standpunt dat de certificaathouder zonder vergaderrecht niet het recht toekomt besluiten te vernietigen wegens strijd met de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid.18 Dat neemt niet weg dat in voorkomend geval deze certificaathouder een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad kan toekomen, indien zijn gerechtvaardigde belangen door besluitvorming in de BV zouden worden geschaad.
Gevolgen van de vernietiging
Art. 2:16 BW bepaalt onder meer dat de onherroepelijke uitspraak, waarbij het bestreden besluit is vernietigd, voor een ieder bindend is indien de rechtspersoon partij in het geding is geweest. Het door de rechter vernietigde besluit, maakt dat besluit ongeldig. De uitspraak heeft naar haar aard te gelden ten opzichte van een ieder en niet alleen ten opzichte van degene die de vernietiging heeft verzocht. Voor deze algemene werking is tussenkomst van de burgerlijke rechter noodzakelijk.19
Schending van het bepaalde in art. 2:8 BW en vernietiging van een besluit ex art. 2:15 BW op grond daarvan brengt in de regel ook onrechtmatigheid met zich mee. Daarnaast kan ook sprake zijn van een tekortkoming in de contractuele relatie met de vennootschap.20
Ten aanzien van de houder van een stemrechtloos aandeel, de houder van een certificaat met vergaderrecht en de houder van een aandeel waarvan het stemrecht is overgedragen aan de vruchtgebruiker of pandhouder ben ik van mening dat bij schending jegens hen van de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid in de regel sprake is van een onrechtmatige daad. De houders van deze rechtsfiguren staan zonder twijfel in een lidmaatschapverhouding en niet (ook) in een contractuele verhouding tot de vennootschap, tenzij sprake is van een aandeelhoudersovereenkomst waarbij ook de vennootschap partij is. Ten aanzien van de houder van een participatiebewijs concludeerde ik in paragraaf 6.5.3.1 dat sprake is van een contractuele verhouding tot de vennootschap, zij het met een statutaire basis. Schending van de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid jegens de houder van een participatiebewijs â hij behoort immers tot de kring van betrokkenen in de zin van art. 2:8 BW â levert daarom naar mijn mening een toerekenbare tekortkoming op. De houder van een certificaat zonder vergaderrecht behoort niet tot de kring van betrokkenen in de zin van art. 2:8 BW. In voorkomend geval zal hij naar mijn mening een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad kunnen instellen.21