Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/2.1.4:2.1.4 Vereniging met de bodem
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/2.1.4
2.1.4 Vereniging met de bodem
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS489129:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie in bevestigende zin: H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2012, p. 27.
HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO3644.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een ander opmerkelijk punt uit het Woonarkarrest is dat de Hoge Raad ten aanzien van de woonark enkel spreekt van ‘vereniging’ met de bodem, en niet van een ‘duurzame vereniging’ met de bodem. Het hof deed dit in zijn uitspraak ook: eerst werd gekeken of er sprake is van een vereniging en vervolgens of deze vereniging duurzaam is. De vraag is of dit in lijn is met het Portacabinarrest. In dat arrest werd namelijk in cassatie als klacht aangevoerd:
“Aldus heeft het hof beslist in strijd met art. 3:3 BW en een verkeerde rechtsopvatting gekoesterd over hetgeen onder die bepaling onroerend is. Immers, art. 3:3, eerste lid, BW brengt, voor zover hier van belang, behalve de grond onder “onroerend” alleen “de gebouwen en werken die duurzaam met de grond verenigd zijn”. Daarmee stelt art. 3:3 BW een dubbele eis: in de eerste plaats moet sprake zijn van “vereniging” met de grond, en in de tweede plaats moet die vereniging “duurzaam” zijn. Het hof heeft de eerst genoemde eis van “vereniging” miskend en de (tweede) eis van “duurzaamheid” ten onrechte niet verbonden aan de “vereniging” maar aan iets anders, te weten de bestemming om ter plaatse te blijven ongeacht of sprake is van “vereniging” met de grond.”
De Hoge Raad gaat hier, althans zo heb ik het arrest altijd gelezen, niet in mee. Er wordt immers enkel bepaald dat ‘een gebouw duurzaam met de grond verenigd kan zijn in de zin van art. 3:3 BW, doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven’. Waaruit blijkt dat voor art. 3:3 BW enkel de eis van een duurzame vereniging geldt.
In het Woonarkarrest lijkt de Hoge Raad uit te gaan van een dubbele toets1 voor art. 3:3 BW, namelijk:
Is er een vereniging? en
is deze vereniging duurzaam?
Of er sprake is van vereniging dient te worden beoordeeld aan de hand van de verkeersopvatting. Voor wat betreft de duurzaamheid van die vereniging geldt het bestemmingscriterium.
Het bestaan van deze dubbele toets bevestigde de Hoge Raad een klein jaar later in het Havenkraanarrest.2