Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/5.4.4.2
5.4.4.2 Onlichamelijke zaken
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS418158:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook A-G Van Hilten, conclusie bij HR 26 februari 2010, nr. 08/02136, BNB 2010/223, punt 5.2.4.
A-G Van Hilten, conclusie bij HR 26 februari 2010, nr. 08/02136, BNB 2010/223, punt 5.2.4.
Zie HR 11 april 2014, nr. 12/01836, BNB 2014/120, punt 3.3.2.
HvJ EU 30 mei 2013, nr. C-651/11, BNB 2014/113 (X bv).
HvJ EG 29 oktober 2009, nr. C-29/08, BNB 2010/251 (AB SKF).
HvJ EG 22 februari 2001, nr. C-408/98, V-N 2001/15.26 (Abbey National I).
Zie in vergelijkbare zin HR 11 april 2014, nr. 12/01836, BNB 2014/120, onderdeel 3.3.4.
Onlichamelijke zaken kunnen deel uitmaken van de overdracht van een algemeenheid van goederen. Dit ligt voor de hand, aangezien een onderneming meestal niet zal bestaan uit louter goederen (of hieraan gelijkgestelde rechten).1 Wat dient te worden verstaan onder onlichamelijke zaken is niet geheel duidelijk. Voor de hand liggende voorbeelden zijn evenwel goodwill, huurrechten, vergunningen, intellectuele eigendomsrechten en dergelijke.2
De vraag is nu hoe dit deel van de Unierechtelijke uitleg van het begrip ‘overgang van een algemeenheid van goederen’ zich verhoudt tot hetgeen bepaald is in artikel 29 Btw-richtlijn. Hierin wordt namelijk het bepaalde in artikel 19 Btw-richtlijn van overeenkomstige toepassing verklaard op diensten. Aangezien het Hof van Justitie in Zita Modes spreekt over lichamelijke en (en dus niet: of) onlichamelijke zaken kan worden beargumenteerd dat artikel 29 Btw-richtlijn alleen van toepassing kan zijn wanneer louter onlichamelijke zaken worden overgedragen. Uit het Hoge Raad arrest van 11 april 2014 inzake de overdracht van een assurantieportefeuille blijkt naar mijn idee dat dit inderdaad de juiste conclusie is.3
Overigens lijkt het Hof van Justitie geen strikt onderscheid te maken tussen artikel 19 Btw-richtlijn en artikel 29 Btw-richtlijn. Zo schakelt het Hof van Justitie in het arrest X bv om onduidelijke reden over van de uitlegging van artikel 6 lid 5 Zesde BTW-Richtlijn (thans: artikel 29 Btw-richtlijn) naar artikel 5 lid 8 Zesde BTW-Richtlijn (thans: artikel 19 Btw-richtlijn).4 In het arrest AB SKF draagt het Hof van Justitie zelf de mogelijkheid dat de overdracht van een deelneming mogelijk een overdracht in de zin van artikel 5 lid 8 Zesde BTW-Richtlijn (thans: artikel 19 Btw-richtlijn) vormt, terwijl daar toch sprake is van een overdracht van louter onlichamelijke zaken.5 In het arrest Abbey National I wordt eveneens gesproken over de algemeenheid van goederen terwijl slechts onlichamelijke zaken worden overgedragen.6 Overigens lijkt het onderscheid ook van weinig belang, aangezien het Hof van Justitie in het arrest X bv aangeeft dat de algemeenheid van diensten analoog aan de algemeenheid van goederen dient te worden uitgelegd. Als dat uitgangspunt wordt gehanteerd dan luidt de Unierechtelijke uitleg van het begrip overgang van een algemeenheid van diensten vermoedelijk als volgt:7
“De overdracht of overgang van een handelszaak of bedrijfsonderdeel, bestaande uit onlichamelijke en eventueel lichamelijke zaken, die tezamen een onderneming vormen, waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend.”
Vermoedelijk moet daarbij worden benadrukt dat onder overgang van een algemeenheid van diensten niet valt de verkoop van onlichamelijke zaken zonder meer, zoals de verkoop van een bundel rechten.
In het licht van deze Unierechtelijke uitleg van de overgang van een algemeenheid van diensten, is de vraag in welke situaties aan eigenstandige toepassing van artikel 29 Btw-richtlijn toe wordt gekomen. Ter illustratie zet ik enkele situaties op een rij waaraan doorgaans wordt gedacht in verband met de toepassing van de algemeenheid van diensten.