Fusies en overnames in de Europese BTW
Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/5.4.4.1:5.4.4.1 Lichamelijke zaken
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/5.4.4.1
5.4.4.1 Lichamelijke zaken
Documentgegevens:
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS413310:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 4 oktober 1995, nr. C-291/99, BNB 1996/62 (Armbrecht).
Zie in gelijke zin D.B. Bijl, M.E. van Hilten en D.G. van Vliet, Europese BTW en Nederlandse omzetbelasting, Deventer: Kluwer 2001, blz. 63.
HvJ EG 4 oktober 2001, nr. C-326/99, BNB 2002/396 (Stichting Goed Wonen I).
HvJ EG 27 november 2003, nr. C-497/01, V-N 2003/61.18 (Zita Modes).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik ga ervan uit dat het Hof van Justitie met lichamelijke zaken doelt op goederen als bedoeld in artikel 14 lid 1 Btw-richtlijn. Hierin is bepaald dat als ‘levering van goederen’ wordt beschouwd, de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken. Het begrip ‘lichamelijke zaak’ is een Unierechtelijk begrip.1 Iedere zaak die in het licht van artikel 14 lid 1 Btw-richtlijn wordt aangemerkt als een goed is naar mijn idee een lichamelijke zaak in de zin van het arrest Zita Modes.
In artikel 15 Btw-richtlijn is een aantal zaken gelijkgesteld aan lichamelijke zaken. Het betreft elektriciteit, gas, warmte, koude en soortgelijke zaken. Daarnaast geeft het artikel lidstaten de mogelijkheid om een aantal rechten gelijk te stellen aan lichamelijke zaken. Het betreft hier: a) bepaalde rechten op onroerende goederen; b) de zakelijke rechten die de rechthebbende de bevoegdheid verschaffen een onroerend goed te gebruiken; c) de deelbewijzen en aandelen waarvan het bezit rechtens of in feite recht geven op de eigendom of het genot van een onroerend goed of een deel daarvan.
In artikel 3 lid 7 Wet OB 1968 worden als goederen aangemerkt, alle voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten, alsmede elektriciteit, gas, warmte of koude en dergelijke. Ik ga ervan uit dat de Nederlandse wet hiermee in overeenstemming is met artikel 14 en 15 Btw-richtlijn, althans niet anders moet worden uitgelegd.2
In artikel 3 lid 2 Wet OB 1968 is bepaald dat de vestiging, overdracht, wijziging, afstand en opzegging van rechten waaraan onroerende zaken zijn onderworpen als levering van goederen wordt aangemerkt, met uitzondering van hypotheek en grondrente, tenzij de vergoeding, vermeerderd met de omzetbelasting, minder bedraagt dan de waarde in het economisch verkeer van die rechten. Hiermee is beperkt gebruikgemaakt van de mogelijkheid die artikel 15 lid 2 Btw-richtlijn de lidstaten biedt. Het feit dat deze Nederlandse invulling de gelijkstelling afhankelijk maakt van de waarde in het economisch verkeer is niet in strijd met het Unierechtelijke recht.3
In het licht van de toepassing van artikel 19 Btw-richtlijn en artikel 37d Wet OB 1968 leidt de afbakening van het begrip lichamelijke zaken bij mijn weten niet tot problemen. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat het Hof van Justitie in Zita Modes heeft bepaald dat een algemeenheid van goederen kan bestaan uit lichamelijke én eventueel onlichamelijke zaken.4