Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/194
194 Betekenis van het vereiste van art. 3:239 lid 1 BW; wetsgeschiedenis
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 10-10-2025
- Datum
10-10-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD26622:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Verdaas 2002a, p. 35-38 en Damkot en Verdaas 2003, p. 3-4.
Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1337.
HR 24 oktober 1980, NJ 1981, 265 m.nt. WMK (Curatoren Solleveld/Bouwman), HR 26 maart 1982, NJ 1982, 615 m.nt. WMK (SOS/ABN), HR 25 maart 1988, NJ 1989, 200 m.nt. WMK (Staal/Ambags q.q.) en HR 16 juni 1995, NJ 1996, 508 m.nt. WMK (Ontvanger/Rabobank).
Zo ook Reehuis 1989, p. 74.
Zo begrijp ik ook Schoordijk 1986, p. 322.
Idem Verhagen en Rongen 2000, p. 60.
Kamerstukken II, 2003/04, 28 878, nr. 5, p. 8. Zie ook Verdaas 2003b.
Hof Arnhem 23 januari 2001, JOR 2001/101 (Lanfermeijer/SNS Bank).
Anders dan een beslag op toekomstige vorderingen belemmert de verpanding daarvan de bedrijfsvoering van de schuldenaar niet. Dat het vereiste van art. 475 Rv beperkt moet worden uitgelegd, is mijns inziens geen goed argument om ook het vereiste van art. 3:239 lid 1 BW beperkt uit te leggen.1 Dat het vereiste van art. 3:239 lid 1 BW anders moet worden uitgelegd dan het vereiste van art. 475 Rv is in de wetsgeschiedenis niet expliciet overwogen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt wel dat de wetgever met het vereiste ‘rechtstreeks voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding’ in art. 3:239 lid 1 BW, “(...) goeddeels het stelsel dat in het huidige (thans oude, AJV) recht voor de cessie tot zekerheid geldt (...)” wilde handhaven.2 Hieruit mag worden afgeleid dat het huidige vereiste ‘rechtstreeks voorvloeien uit een bestaande rechtsverhouding’ dezelfde betekenis heeft als het onder het oude recht in de jurisprudentie ontwikkelde vereiste ‘onmiddellijke grondslag hebben in een bestaande rechtsverhouding’.
In de onder het oude recht gevormde jurisprudentie werd al snel aangenomen dat een vordering een onmiddellijke grondslag had in een bestaande rechtsverhouding.3 ‘Onmiddellijke grondslag hebben in een bestaande rechtsverhouding’ was een ruimer begrip dan ‘rechtstreeks ontstaan uit een bestaande bron’ (in de praktijk: een overeenkomst).4 Voldoende leek te zijn dat partijen tot elkaar in een rechtsbetrekking stonden die mede een grondslag vormde voor de vordering.5 Volgens dit vereiste kan ook een vordering die eerst ontstaat doordat een nadere rechtshandeling wordt verricht, zoals een wilsuiting of het sluiten van een overeenkomst, een onmiddellijke grondslag hebben in een (eerdere) rechtsbetrekking.6 Uit de wetsgeschiedenis volgt mijns inziens dan ook dat het vereiste dat een toekomstige vordering rechtstreeks moet voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding om voor stille verpanding bij voorbaat vatbaar te zijn, ruim moet worden uitgelegd. Ook een vordering die eerst ontstaat doordat een nadere handeling wordt verricht kan, in de in art. 3:239 lid 1 BW bedoelde zin, een vordering zijn die rechtstreeks voortvloeit uit een bestaande rechtsverhouding. Voldoende lijkt te zijn dat partijen ten tijde van de verpanding bij voorbaat tot elkaar in een rechtsbetrekking staan die mede de grondslag, de aanleiding vormt voor het ontstaan van de vordering.
Minder gelukkig is zo bezien dan ook de opmerking van de minister van Justitie in de Nota naar aanleiding van het Verslag bij het wetsvoorstel waarmee de stille cessie mogelijk is gemaakt, dat ‘rechtstreeks voortvloeien uit’ in art. 3:239 lid 1 BW hetzelfde moet worden uitgelegd als ‘rechtstreeks voortvloeien uit’ in art. 475 Rv.7
Minder gelukkig is ook het oordeel van het Gerechtshof Arnhem dat toekomstige provisievorderingen van een assurantietussenpersoon op een verzekeraar uitsluitend bij voorbaat stil kunnen worden verpand indien er een verzekeringsovereenkomst is gesloten die het recht op provisie van de assurantietussenpersoon (mede) doet ontstaan.8 Dergelijke vorderingen hebben namelijk niet (uitsluitend) hun grondslag in die verzekeringsovereenkomst, maar (mede) in de rechtsverhouding tussen de assurantietussenpersoon en de verzekeraar waar afspraken over provisiebetalingen deel van uit plegen te maken.