Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/195:195 Relatief toekomstige vorderingen
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/195
195 Relatief toekomstige vorderingen
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 10-10-2025
- Datum
10-10-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD26630:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Faber 1997, p. 199.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet hoe het vereiste ‘rechtstreeks voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding’ moet worden uitgelegd indien de te verpanden vordering geen absoluut toekomstige vordering is maar een relatief toekomstige vordering, een reeds bestaande vordering die de pandgever mogelijk van een derde zal verkrijgen. Faber meent dat in een dergelijk geval vereist is dat de pandgever de vordering rechtstreeks verkrijgt uit een rechtsverhouding tussen de vervreemder van de vordering en de pandgever.1 Mijns inziens is dat niet het geval en ziet het vereiste ‘rechtstreeks voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding’ uitsluitend op de rechtsverhouding tussen de oorspronkelijke schuldeiser en de debiteur van de vordering. Om een relatief toekomstige vordering te kunnen verpanden is noodzakelijk, maar ook voldoende dat deze tussen de oorspronkelijke schuldeiser en de debiteur reeds bestaat of rechtstreeks zal voortvloeien uit een tussen de oorspronkelijke schuldeiser en de debiteur reeds bestaande rechtsverhouding.