Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/191
191 Geen bepaaldheidsvereiste
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 29-09-2025
- Datum
29-09-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD25149:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 24 oktober 1980, NJ 1981, 265 m.nt. WMK (Curatoren Solleveld/Bouwman). Eerder gold dat cessie van een vordering uitsluitend mogelijk was indien deze bestond. Aangenomen werd echter, dat een vordering bestond indien deze een onmiddellijke grondslag had in een reeds bestaande rechtsverhouding. Zie HR 29 december 1933, NJ 1934, p. 343 e.v. m.nt. PS (Fijn van Draat q.q./De Nederlanden). Zie over het toen geldende recht Wiarda 1937, p. 408-410. Zie ook hierna par. 8.6.1.
Zo ook Faber 1997, p. 198. A-G Franx maakte dit onderscheid ook reeds voor het oude recht in zijn conclusie vóór het arrest Curatoren Solleveld/Bouwman. Anders Van Mierlo 1988, par. 6.3.1.1, Reehuis 1989, p. 85, Westrik 2003, p. 125-127, Beekhoven van den Boezem 2003a, p. 13, voetnoot 43, Van den Heuvel 2004, p. 27 en Beekhoven van den Boezem 2005, bijvoorbeeld op p. 216, 217 en 222.
Zie hoofdstuk 7.
Onder het recht zoals dat gold vóór 1992, kon een toekomstige vordering uitsluitend worden gecedeerd indien deze een onmiddellijke grondslag had in een ten tijde van de cessie reeds bestaande rechtsverhouding. Een toekomstige vordering die geen onmiddellijke grondslag had in een bestaande rechtsverhouding was onvoldoende bepaald om overgedragen te kunnen worden.1
De eis die art. 3:239 lid 1 BW aan toekomstige vorderingen stelt om voor stille verpanding vatbaar te zijn, is geen bepaaldheidseis.2 Thans geldt namelijk een veel ruimer bepaaldheidsvereiste: een toekomstige vordering kan, ook indien deze ten tijde van de verpanding bij voorbaat nog geen onmiddellijke grondslag in een toen reeds bestaande rechtsverhouding heeft, voldoende bepaald zijn om verpand te kunnen worden.3