Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.1.6.4
I.1.6.4 Rechtstreekse werking
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS499031:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 19 november 1991, zaak C-6/90, NJ 1994, 2 (Francovich). Zie nader S. Prechal, Directives in EC Law, Oxford (GB): Oxford University Press 2005, p. 241.
HvJ 4 december 1974, zaak 41/74, Jur. 1974, p. 1337 (Van Duyn).
Onder omstandigheden is het desondanks denkbaar dat met een richtlijn strijdig nationaal recht een onverenigbare steunmaatregel is in de zin van artikel 107 VWEU. Zie over staatssteun en omzetbelasting B. Terra, ‘Value Added Tax and State Aid Law in the EU’, in: H. van Arendonk, S. Jansen & R. van der Paardt (red.), VAT in an EU and International Perspective (Kogels-bundel), Amsterdam: IBFD 2011; R.H.C. Luja, ‘(Niet-)richtlijnconform handelen: over btw en staatssteun’, in: M.M. Gabriël & R.H.C. Luja (red.), De toekomst van de btw (Denie-bundel), Deventer: Kluwer 2011.
HvJ 26 februari 1986, zaak 152/84, Jur. 1986, p. 750 (Marshall); HvJ 8 oktober 1997, zaak 80/86, NJ 1988, 1029 (Kolpinghuis). Zie nader S. Prechal, Directives in EC Law, Oxford (GB): Oxford University Press 2005, p. 260-261.
Bv. HvJ 5 april 1979, zaak 148/78, NJ 1980, 66 (Ratti); HvJ 19 januari 1982, zaak 8/81, Jur. 1982, p. 53 (Becker). Zie nader S. Prechal, Directives in EC Law, Oxford (GB): Oxford University Press 2005, p. 241-249.
HvJ 19 november 1991, zaak C-6/90, NJ 1994, 2 (Francovich).
HvJ 1 februari 1977, zaak 51/76, BNB 1978/18 (VNO; m.nt. C.P. Tuk); HvJ 14 juli 2005, zaak C-434/03, BNB 2005/284 (concl. A-G Jacobs; Charles; m.nt. B.G. van Zadelhoff); HvJ 19 november 2009, zaak C-461/08, BNB 2011/14 (Don Bosco; m.nt. De Wit); HvJ 17 januari 2013, zaak C-543/11, BNB 2013/85 (Woningstichting Maasdriel; m.nt. B.G. van Zadelhoff).
HvJ 19 januari 1982, zaak 8/81, Jur. 1982, p. 53 (Becker); HR 6 december 2000, BNB 2001/101; HvJ 28 november 2013, zaak C-319/12, V-N 2014/7.16 (MDDP); HvJ 26 februari 2015, zaak C-144/13 e.a., BNB 2015/104 (concl. A-G Kokott; VDP Dental Laboratory e.a.; m.nt. D.B. Bijl).
Zie nader J.J.M. Lamers, ‘Asymmetrisch beroep op richtlijn en wet’, WFR 2007/154; M.M.W.D. Merkx, ‘Tussen de nationale wet en de BTW-richtlijn ligt het BTW-paradijs’, WFR 2015/145; S. Pfeiffer, ‘Asymmetrically Relying on the EU VAT Directive – Is VAT a Picnic?’, International VAT Monitor 2015, p. 158-161.
Als richtlijnconforme uitleg niet mogelijk is, kan rechtstreekse werking in beeld komen. Dit is het geval als een lidstaat in gebreke is een richtlijn (tijdig) in nationaal recht om te zetten of als een lidstaat dat onjuist heeft gedaan. Rechtstreekse werking houdt in dat op lidstaten – inclusief rechters en andere instanties van de lidstaat – onder omstandigheden de verplichting rust een bepaling van Unierecht rechtstreeks toe te passen. Dat kan op twee manieren. In de eerste plaats kan de bepaling van Unierecht rechtstreeks de norm worden waaraan feiten moeten worden getoetst. In de tweede plaats kunnen bepalingen van Unierecht een toetsingscriterium zijn om te bezien of nationaal recht wegens strijd met het Unierecht geen werking kan toekomen.1 In dat geval blijft het betreffende nationale recht buiten werking. Rechtstreekse werking is volgens het Hof van Justitie gerechtvaardigd vanwege het bindende karakter van richtlijnen (artikel 288 VWEU) en het waarborgen van het nuttig effect (‘effet utile’) daarvan, zo volgt uit het arrest in de zaak Van Duyn.2
Belangrijk is dat rechtstreekse werking niet zover gaat dat lidstaten hun eigen nalaten of wanprestatie aan burgers kunnen tegenwerpen. Rechtstreekse werking levert daarom uitsluitend uitkomsten ten voordele van de burger op, in tegenstelling tot richtlijnconforme uitleg.3 Anders zou strijd ontstaan met het eerder genoemde beginsel van rechtszekerheid en zou geen recht worden gedaan aan de omstandigheid dat richtlijnen in eerste instantie tot lidstaten zijn gericht.4
Voor rechtstreekse werking dienen in het algemeen twee voorwaarden te zijn vervuld. Ten eerste dient, zoals hiervoor opgemerkt, de betrokken bepaling van Unierecht niet, niet tijdig of niet juist in nationaal recht te zijn omgezet. Ten tweede moet die bepaling onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn.5 Deze tweede voorwaarde gaat niet zover dat een bepaling geheel onvoorwaardelijk en nauwkeurig moet zijn, in de zin dat een bepaling lidstaten geen enkele discretie laat. Uit het arrest in de zaak Francovich volgt, bijvoorbeeld, dat rechtstreekse werking ook mogelijk is als een richtlijnbepaling lidstaten weliswaar bepaalde keuzemogelijkheden geeft, maar tegelijkertijd een ondergrens vaststelt voor de aan burgers te verlenen rechten.6 Ook in het geval dat lidstaten bij de omzetting van een richtlijnbepaling hun beoordelingsmarge overschrijden, kunnen burgers dus een richtlijnbepaling inroepen. In die situaties neemt rechtstreekse werking van de richtlijnbepaling de gevolgen van de overschrijding van de beoordelingsmarge weg.
In relatie tot de Wet OB 1968 zijn voorbeelden van rechtstreekse werking te vinden in onder meer de arresten in de zaken VNO (met betrekking tot het begrip investeringsgoederen), Charles (over vermogensetikettering) en, hoewel niet zo expliciet, Don Bosco en Woningstichting Maasdriel (met betrekking tot het begrip bouwterrein).7 Bij een beroep op rechtstreekse werking van een bepaling uit de Btw-richtlijn dient een belastingplichtige ook de verdere consequenties daarvan binnen het systeem van de richtlijn te accepteren. Als een belastingplichtige, bijvoorbeeld, met een beroep op rechtstreekse werking van de richtlijn een vrijstelling wil toepassen waarin de nationale wet niet voorziet, moet hij ook de daaraan door de Btw-richtlijn verbonden consequenties aanvaarden. Als het gaat om het willen toepassen van een vrijstelling, zal de consequentie zijn dat geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat.8 Een asymmetrisch (of selectief) beroep op de Btw-richtlijn is in beginsel dus niet mogelijk.9