Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/5.2.2.2
5.2.2.2 Niet bij bijzondere wet begrensde netten
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS483095:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
MvA, EK, Kamerstukken II 2005/06, 29 834, C, p. 2.
Zie r.o. 3.3.1. HR 6 juni 2003, (Kabelarresten) ECLI:NL:HR:2003:AD3578.
Anders: B.A.M. Janssen, Wie heeft de leiding? De eigendom van kabel- en leidingnetten, (diss. Utrecht) Deventer: Kluwer 2010, voetnoot 60.
Zie ook: J.P. van Loon en H.D. Ploeger, ‘Registratie van de eigendom van kabel- en leidingnetwerken’, in: Energie en Eigendom – Preadvies Nederlandse Vereniging voor Energierecht, Antwerpen: Intersentia 2011, p. 40.
En aan de andere vereisten van art. 5:20 lid 2 BW voldaan is.
De aanlegger zal het netwerk in zo een geval registreren zonder de huisaansluitingen teboek te stellen. Zie W. Louwman en B.G. van Dam, ‘De kadastrale registratie van netten’, JBN 2008/16.
Uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt overigens dat bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald wat tot het hoofdriool behoort en waar de huisaansluiting, die eigendom is van de huiseigenaar, begint. Zie: Kamerstukken II 2005/06, 29 834, nr. 9, Tweede nota van wijziging, p. 7.
Zie eveneens B.A.M. Janssen, Wie heeft de leiding? De eigendom van kabel- en leidingnetten, (diss. Utrecht) Deventer: Kluwer 2010, p. 62.
Zie ook M.M. Seinstra, ‘Eigendom van in de grond gegraven leidingen’, WPNR 2004/6573, die stelt dat de leidingen en het hoofdgebouw naar verkeersopvatting een constructieve eenheid vormen.
De grenzen van netten waarvan de afgrenzing niet bij bijzondere wetten is gedefinieerd, worden blijkens de Memorie van Antwoord bepaald door de verkeersopvatting(en). Gezien de voorgaande hoofdstukken, zal dit wellicht geen verbazing wekken. Wat naar verkeersopvatting gezien wordt als één zaak, is juridisch in beginsel ook één zaak. Als voorbeeld van zo een net worden netten bestaande uit leidingen voor transport van chemicaliën genoemd.1
Ook hier geldt dat op grond van art. 5:3 BW de eigenaar van een zaak tevens eigenaar van haar bestanddelen is, waarbij aan de hand van art. 3:4 BW bepaald dient te worden of iets een bestanddeel is. Bij kabels en leidingen zal niet snel sprake zal zijn van lid 2 van art. 3:4 BW, afscheiding zal immers veelal mogelijk zijn zonder beschadiging van betekenis toe te brengen aan één der zaken. Om die reden zal de verkeersopvatting van art. 3:4 BW lid 1 meestal leidend zijn. Indien iets naar verkeersopvatting behoort tot het net, wordt het omvat door het eigendomsrecht op dat net, c.q. vindt er (horizontale) natrekking (door het net) plaats.
Het Hof oordeelde in de Kabelarresten dat de centraleantenne-inrichting tezamen met de overige onderdelen van de infrastructuur (het ontvangststation, de versterkers en de verdeelkasten) een feitelijke en functionele eenheid vormen. De Hoge Raad nam deze formulering over.2 De infrastructuur werd daardoor aangemerkt als één zelfstandige (onroerende) zaak.3 Goederenrechtelijk nemen netwerken door de uitspraak van de Hoge Raad een bijzondere positie in, doordat netwerken onroerende zaken zijn, en los gezien worden van de (eigendom van de) grond waarin deze zich bevinden. Bij andere onroerende zaken is dat enkel mogelijk door middel van het vestigen van een opstalrecht.4
Natrekkingsvragen met betrekking tot kabels en leidingen illustreren de nauwe verwantschap tussen de artt. 3:3, 3:4, 5:3 en 5:20 BW. Art. 5:20 lid 2 BW is enkel van toepassing indien de kabels en leidingen naar verkeersopvatting tezamen een net vormen.5 Indien dit niet het geval is, dient de vraag wie eigenaar is beantwoord te worden aan de hand van art. 3:4 j° 5:3 BW, danwel aan de hand van art. 3:3 j° 5:20 lid 1 BW. Gekeken dient te worden naar de vraag of de kabel of leiding, waarop art. 5:20 lid 2 BW niet van toepassing is, naar verkeersopvatting van art. 3:4 lid 1 BW nagetrokken wordt door bijvoorbeeld een woning of een bedrijfspand.
Een voorbeeld: een rioolbuis die vanaf een pand, door de grond loopt en op straatniveau aangesloten is op het gemeentelijk riool.6 Ervan uitgegaan wordt dat de gemeente eigenaar is van het riool dat in gemeente grond ligt en dat de grondeigenaar eigenaar is van het gedeelte van de rioleringsbuis dat in eigen grond loopt.7, 8
Maar wat als de eigendom van het pand door de vestiging van een opstalrecht in andere handen is dan de eigendom van de grond? Met andere woorden: wordt de buis dan (horizontaal) nagetrokken door het pand of (verticaal) door de grond? De buis zal in zo een geval nagetrokken worden door de eigendom van het pand. Op grond van de verkeersopvatting van art. 3:4 lid 1 BW wordt de buis aangemerkt als bestanddeel van het gebouw, nu de riolering dienstbaar is aan het gebouw (sec). Op grond van art. 5:3 BW is de eigenaar van het gebouw (de opstaller) ook eigenaar van de buis.9
Indien de rioolbuis echter nog niet aangesloten is op het gemeentelijke rioleringsstelsel en ook nog niet aangesloten is op het pand (en derhalve ‘los’ in de grond ligt), zal de eigendomsvraag beantwoord dienen te worden op grond van art. 3:3 j° 5:20 lid 1 BW. De buis is dan een werk dat bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, zodat het een onroerende zaak is in de zin van art. 3:3 BW. Op grond van art. 5:20 lid 1 BW wordt de buis nagetrokken door de eigendom van de grond.
Dit ligt anders indien de rioleringsbuis onderdeel uitmaakt van een (deel) netwerk.