Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/2.4.2
2.4.2 Het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:2 BW
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS489131:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
M.v.A. Kamerstukken II 1995/96, 23 095, nr. 5, p. 8 en M.v.T. Kamerstukken II 1995/96, 23 095, nr. 3, p. 39.
Zie eveneens: N.C. van Oostrom-Streep, De koop van een woning na 2003: op weg naar versterking van de positie van de koper, AA 2012, afl. 11, p. 826. Zij stelt: “Om dergelijke afgrenzingsproblemen te voorkomen, verdient het aanbeveling de bescherming op te laten opgaan voor alle registergoederen die door particulieren worden gekocht. Dit voorkomt dat bepaalde groepen kopers op terminologische gronden bescherming ontberen.”
Zie o.m.: S.E. Bartels, Kanttekeningen bij de aanbevelingen en conclusies uit de evaluatie ‘Wet koop onroerende zaken’, TBR 2010/105; M.B.M. Loos, Schriftelijkheidsvereiste en bedenktijd bij de koop van onroerende zaken, TBR 2010/101; A.L.M. Keirse, N.C. van Oostrom, M.Y. Schaub, C.M.J. Barendse, A.M. Steegmans, Rapportage Wet koop onroerende zaken; de evaluatie, Den Haag: Boom Juridische uitgevers, 2009, p. 74.
Zie ook: S.E. Bartels, Kanttekeningen bij de aanbevelingen en conclusies uit de evaluatie ‘Wet koop onroerende zaken’, TBR 2010/105.
Het feit dat drijvende woningen roerende zaken zijn, heeft ook consequenties voor het moment van het tot stand komen van een koopovereenkomst ten aanzien van de drijvende woning. Art. 7:2 lid 1 BW bepaalt:
“De koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of bestanddeel daarvan wordt, indien de koper een natuurlijk persoon is, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, schriftelijk aangegaan.”
Voor de koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak geldt op grond van dit artikel een schriftelijkheidsvereiste. Hierdoor komt de koopovereenkomst pas tot stand indien het op schrift is gesteld. Nu drijvende woningen roerende zaken zijn, geldt voor de koop van zo een woning geen schriftelijkheidsvereiste. De koopovereenkomst komt op grond van art. 6:217 BW tot stand wanner er sprake is van aanbod en aanvaarding. Het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:2 BW is opgenomen in de wet in verband met de in lid 2 van art. 7:2 BW opgenomen bedenktijd van drie dagen en geldt enkel voor de koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak.
Uit de Parlementaire Geschiedenis bij art. 7:2 BW blijkt dat er bewust voor gekozen is om woonschepen buiten het bereik van dit artikel te houden.1 Een keuze die mijns inziens lastig te rechtvaardigen is.2 Stel: er zijn twee dezelfde, naast elkaar gelegen, woningen. Eén bevindt zich op de kade, c.q. op de grond, en de andere is geplaatst op een drijvend plateau. Op grond van art. 7:2 BW geldt voor de koop van de woning op de kade, dat de koopovereenkomst tot stand komt als er voldaan is aan het schriftelijkheidsvereiste. Daarbij heeft de koper nog een bedenktijd, waarin deze zonder opgaaf van reden van de koop af kan zien. Voor de koper van de drijvende woning geldt hij gebonden aan de koopovereenkomst vanaf het moment dat zijn bod aanvaard is en geldt geen bedenktijd.
Art. 7:2 BW is bedoeld ter bescherming van de particuliere koper die een woning koopt. In dit licht is het onthouden van wettelijke bescherming voor de koper van een drijvende woning moeilijk te verklaren. In deze opvatting sta ik niet alleen.3 Het onderscheid roerend of onroerend is hiervoor niet geschikt.4 Te meer nu wat betreft het inschrijven van de koopovereenkomst in de openbare registers, op grond van de in art. 7:3 BW neergelegde Vormerkung, geen ‘onroerendheidsvereiste’ geldt, maar de koopovereenkomst ten aanzien van alle registergoederen ingeschreven kunnen worden. Om die reden kan de koopovereenkomst van een drijvende woning, die als schip ingeschreven is in het scheepsregister, wel ingeschreven worden.