Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/2.7:2.7 Afsluiting en definitie van het pleitbare standpunt
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/2.7
2.7 Afsluiting en definitie van het pleitbare standpunt
Documentgegevens:
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS573515:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een pleitbaar standpunt verweer komt erop neer dat het ingenomen standpunt en daarmee de belastingaangifte, -heffing of -betaling weliswaar onjuist zijn, maar dat het standpunt zodanig pleitbaar is dat voor beboeting of bestraffing geen plaats is. Bij de beoordeling van dit verweer gaat het niet om de beantwoording van één, maar om de beantwoording van twee vragen: de vraag wanneer een onjuist standpunt een pleitbaar standpunt vormt en de vraag wanneer een pleitbaar standpunt tot het ontbreken van opzet en grove schuld (en daarmee tot straffeloosheid) leidt.
In dit hoofdstuk is de eerste vraag behandeld, de vraag wanneer een onjuist standpunt over de belastingheffing of -betaling een pleitbaar standpunt vormt. Hierbij heb ik mij voornamelijk gebaseerd op de fiscale boetejurisprudentie. Ik ga er in dit onderzoek echter van uit dat het pleitbaar standpunt begrip in het fiscale strafrecht op dezelfde wijze wordt ingevuld als in het fiscale boeterecht. Dit houdt in dat hetgeen in dit hoofdstuk aan de orde is gekomen ook voor het fiscale strafrecht van belang is.
Bij de beantwoording van deze eerste vraag zijn subjectieve omstandigheden – de mate van zorgvuldig en voorzichtig handelen, de persoon, het weten en willen van de belastingplichtige – niet van belang. Het pleitbare standpunt bestaat onafhankelijk van wat de belastingplichtige daarover heeft geweten of gewild. Dat wil niet zeggen dat de subjectieve omstandigheden bij de beantwoording van de twee zojuist genoemde vragen in het geheel niet van belang zouden moeten zijn. Bij beoordeling van de tweede vraag, de vraag wanneer een pleitbaar standpunt tot het ontbreken van opzet leidt, behoren de subjectieve omstandigheden naar mijn mening wel degelijk relevant te zijn. In hoofdstuk 4 wordt hierop teruggekomen.
Uit de fiscale boetejurisprudentie is af te leiden dat aan drie objectieve voorwaarden moet zijn voldaan, voordat kan worden gesproken van een pleitbaar standpunt.
In de eerste plaats moet het standpunt zien op interpretatie of toepassing van het recht dat ten behoeve van het doen van de aangifte moet worden geïnterpreteerd en toegepast. Een standpunt dat neerkomt op een andere vaststelling van de feiten of een andere waardering van de bewijsmiddelen kan geen pleitbaar standpunt vormen.
In de tweede plaats moet het standpunt naar objectieve maatstaven voldoende verdedigbaar zijn.
Rechtskundige standpunten van de belastingplichtige die door een belastingrechter in feitelijke instantie zijn gevolgd, dan wel aanleiding zijn geweest voor het stellen van prejudiciële vragen of hebben geleid tot een conclusie van een A-G, kunnen worden verondersteld pleitbaar te zijn. Deze omstandigheden maken een standpunt echter niet pleitbaar. Een pleitbaar standpunt ontstaat als er op het moment van het doen van de aangifte aan de hand van de rechtsbronnen en rechtsvindingsmethoden die de belastingrechter gebruikt om zijn beslissing over het belastinggeschil te nemen, verschillende interpretaties of toepassingen van het recht mogelijk zijn. Het is geen gevolg van de ingewikkeldheid van de wet- en regelgeving op zich, maar een gevolg van de omstandigheid dat het recht voor meerderlei uitleg vatbaar is. Deze omstandigheid kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer het belastinggeschil ziet op de interpretatie en toepassing van open normen, wanneer het belastinggeschil voortkomt uit mogelijk conflicterende bepalingen of wanneer in geschil is of de bijzondere rechtsvindingsmethoden kunnen worden toegepast.
Niet alle denkbare interpretaties of toepassingen van het recht zijn echter pleitbaar. Ten behoeve van de beoordeling wanneer er voldoende argumenten voorhanden zijn om een standpunt pleitbaar te maken heb ik het “stoel van de rechter criterium” geïntroduceerd: een standpunt is naar mijn mening pleitbaar als er, bezien op het moment van het doen van de aangifte, zodanige uit het recht en de jurisprudentie afkomstige argumenten zijn aan te voeren dat het door een belastingrechter kán worden gevolgd.
In de derde plaats moet het standpunt, voordat het in de desbetreffende zaak kan worden aangemerkt als een pleitbaar standpunt, zijn gebaseerd op de in die zaak vastgestelde feiten en zijn verwerkt in de ingediende aangifte(n) of er in ieder geval verenigbaar mee zijn.
Op grond van het voorgaande zou ik het pleitbare standpunt daarom willen definiëren als een visie op de interpretatie of toepassing van het recht dat ten behoeve van het doen van de aangifte moet worden geïnterpreteerd en toegepast (met name het belastingrecht), gebaseerd op de vastgestelde feiten en verwerkt in of verenigbaar met de ingediende belastingaangifte(n), die weliswaar niet door de behandelende belasting- of strafrechter wordt gevolgd, maar waarvoor bezien op het moment van het doen van de aangifte zodanige uit dat recht en de jurisprudentie afkomstige argumenten zijn aan te voeren (dus niet: zijn aangevoerd) dat het door een belastingrechter kán worden gevolgd.