Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.1.2
III.6.1.2 Privacy als persoonlijkheidsrecht
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS459218:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
R.J. Arneson, ‘Egalitarian Justice versus the Right to Privacy’, Social Philosophy & Policy Foundation 2000, 2, p. 91-92 en A.D. Moore, ‘Privacy: Its Meaning and Value’, American Philosophical Quarterly 2003, 3, p. 215 en H.T. Tavani, ‘Philosophical Theories of Privacy: Implications for an Adequate Online Privacy Policy’, Metaphilosophy 2007, 1, p. 5 en S. Davis, ‘Is there a right to privacy?’, Pacific Philosophical Quarterly 2009, 4, p. 451.
S.D. Warren & L.D. Brandeis, ‘The right to privacy’, Harv. L. Rev. 1890, 5, p. 196, 207.
P.H. Blok, Het recht op privacy: Een onderzoek naar de betekenis van het begrip ‘privacy’ in het Nederlandse en Amerikaanse recht (diss. Tilburg), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2002, p. 27-28.
In Kants Fundering voor de metafysica van de zeden wordt het Rijk-der-Doelen geïntroduceerd (p. 433). In dit Rijk heeft alles een prijs of waardigheid. Alles dat een prijs heeft, is vervangbaar. In zijn plaats kan een equivalent worden geplaatst. Alles dat boven elke prijs is verheven, bezit waardigheid. In deze zin is de persoonlijkheid derhalve een waardigheid. I. Kant, Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe) Electronic edition, band 4: Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785), Berlijn: Karsten Worm 1998, p. 433-434.
E.J. Bloustein, ‘Privacy is Dear at Any Price: A Response to Professor Posner’s Economic Theory’, Ga. L. Rev. 1978, 3, p. 443.
E.J. Bloustein, ‘Privacy is Dear at Any Price: A Response to Professor Posner’s Economic Theory’, Ga. L. Rev. 1978, 3, p. 453.
E.J. Bloustein, ‘Privacy as an Aspect of Human Dignity: An Answer to Dean Prosser’, N.Y.U. L. Rev. 1964, 6, p. 971.
L. Henkin, ‘Privacy and Autonomy’, Columbia Law Review 1974, 8, p. 1411.
C. Fried, ‘Privacy: A Moral Analysis’, Yale Law Journal 1968, 3, p. 477-478.
R.S. Gerstein, ‘Intimacy and Privacy’, Ethics 1978, 1, p. 81 en J. Inness, Privacy, Intimacy and Isolation, Oxford: Oxford University Press 1992.
F. Schoeman, ‘Privacy: Philosophical Dimensions’, American Philosophical Quarterly 1984, 3, p. 202.
R. Larsen, D. Buss & A. Wismeijer, Personality Psychology: Domains of Knowledge about Human Nature, Boston: MA: McGraw-Hill Higher Education 2013, p. 4.
Larsen, Buss en Wismeijer beschrijven zes domeinen, maar het zesde domein (het dispositionele domein) speelt bij de ontwikkeling van persoonlijkheid geen (of maximaal een zeer geringe) rol. Het dispositionele domein houdt zich met name bezig met onderzoek op het gebied van persoonlijkheidsverschillen tussen mensen. Daarom schrijven zij dat ‘the dispositional domain cuts across all the other domains’.
J. Kupfer, ‘Privacy, Autonomy, and Self-Concept’, American Philosophical Quarterly 1987, 1, p. 81.
F. Schoeman, ‘Privacy: Philosophical Dimensions’, American Philosophical Quarterly 1984, 3, p. 202.
Zie uitgebreid paragraaf 4.4.3.
E.J. Bloustein, ‘Privacy is Dear at Any Price: A Response to Professor Posner’s Economic Theory’, Ga. L. Rev. 1978, 3, p. 429-453.
E.J. Bloustein, ‘Privacy as an Aspect of Human Dignity: An Answer to Dean Prosser’, N.Y.U. L. Rev. 1964, 6, p. 994 en J. Kupfer, ‘Privacy, Autonomy, and Self-Concept’, American Philosophical Quarterly 1987, 1, p. 81.
Zie E.J. Bloustein, ‘Privacy as an Aspect of Human Dignity: An Answer to Dean Prosser’, N.Y.U. L. Rev. 1964, 6, p. 962-1007.
L.P. Grayson, ‘Education, Technology, and Individual Privacy’, Educational Communication and Technology 1978, 3, p. 196.
C. Fried, ‘Privacy: A Moral Analysis’, Yale Law Journal 1968, 3, p. 477-478 en R.S. Gerstein, ‘Intimacy and Privacy’, Ethics 1978, 1, p. 79, 81.
C. Fried, ‘Privacy: A Moral Analysis’, Yale Law Journal 1968, 3, p. 477-478.
R.S. Gerstein, ‘Intimacy and Privacy’, Ethics 1978, 1, p. 79, 81.
S.D. Warren & L.D. Brandeis, ‘The right to privacy’, Harv. L. Rev. 1890, 5, p. 205.
E.J. Bloustein, ‘Privacy as an Aspect of Human Dignity: An Answer to Dean Prosser’, N.Y.U. L. Rev. 1964, 6, p. 971.
Hierboven is de geheimhoudingsratio van het recht op privacy behandeld. Sommige auteurs leggen bij de uitwerking van privacy alleen de nadruk op geheimhouding, maar de combinatie met de persoonlijkheidsratio wordt regelmatig gemaakt. Het recht op respect voor privacy als ‘the right to be let alone’ is mijns inziens een beperkte lezing van het artikel van Warren & Brandeis. De formulering van ‘het recht om alleen te worden gelaten’ wordt door anderen geciteerd als de oorsprong van het juridische pleidooi voor het recht op privacy.1 Hiermee is de fundering gelegd voor het recht op privacy dat de burger in staat stelt informatie over zichzelf geheim te houden (non-intrusion, to be let alone) en om zichzelf van de wereld af te zonderen (seclusion, to be alone). Zij wilden echter niet het recht op respect voor privacy tot stand brengen met het enkele doel dat burgers informatie geheimhouden of zichzelf afzonderen, maar ook dat burgers hun persoonlijkheid en persoonlijke voorkeuren zonder belemmering kunnen ontwikkelen. Zo overwegen zij dat ‘solitude and privacy have become more essential to the individual’ en ‘the right to privacy, is a part of the more general right to immunity of the person – the right to one’s personality’.2 Eenzaamheid wordt in deze citaten duidelijk naast privacy gezet en het recht op respect voor privacy wordt door de auteurs gezien als onderdeel van het meer algemenere recht op persoonlijkheid. Dus niet alleen de geheimhoudingsratio, maar ook de persoonlijkheidsratio is terug te voeren op het artikel van Warren & Brandeis.
Belangrijk uitgangspunt van privacy als persoonlijkheidsrecht is dat de persoonlijkheid, in tegenstelling tot eigendommen, onvervreemdbaar en niet op geld waardeerbaar is.3 Ik kan vervelende (of minder goede) aspecten van mijn persoonlijkheid niet overdragen, evenals ik mijn goede aspecten niet kan verkopen. De persoonlijkheid is inherent aan de persoon. In deze zin heeft persoonlijkheid dus intrinsieke waarde, is het een doel-in-zichzelf en heeft het waardigheid.4 In Kants woorden: alles dat boven elke prijs is verheven, heeft waardigheid. Het gaat bij privacy dus niet enkel om een instrumentele waarde, bijvoorbeeld van geheimhouding van kostbare informatie, maar ook om een intrinsieke waarde, namelijk de persoonlijkheid.5
Onder de persoonlijkheidsratio van het recht op respect voor privacy vallen onder andere de artistieke vrijheid en creativiteit,6 individuele onafhankelijkheid en integriteit,7 het creëren van een autonome zone,8 vriendschap, liefde en vertrouwen9 en intimiteit.10 Bij al deze onderwerpen gaat het om de ontwikkeling van een sense of self, van persoonlijke voorkeuren en persoonlijkheid.11 Persoonlijkheid wordt in de persoonlijkheidspsychologie gedefinieerd als
‘the set of psychological traits and mechanisms within the individual that are organized and relatively enduring and that influence his or her interactions with, and adaptations to, the environment’.12
Het gaat derhalve om de opvattingen en cognitieve mechanismen die relatief stabiel zijn en ons gedrag bepalen. Persoonlijkheid wordt vervolgens beïnvloed door vijf verschillende domeinen: (1) het biologische, (2) het intrapsychische, (3) het cognitieve en ervarings-, (4) het sociaal-culturele en (5) het aanpassingsdomein.13 Onze persoonlijkheid is, kort gezegd, afhankelijk van onze genen, psychofysiologische huishouding (onder andere hormonen en neurotransmitters), evolutie (het biologische domein), interne mentale mechanismen zoals het id, ego en superego (het intrapsychische domein), subjectieve cognities en emoties (het cognitieve en ervaringsdomein), sociale en culturele context, normen en waarden (het sociaal-culturele domein) en de capaciteiten om om te gaan met en aan te passen aan gebeurtenissen en omstandigheden (aanpassingsdomein). De persoonlijkheid ontstaat dus door een wisselwerking tussen biologische, psychische en omgevingsfactoren.
Een onderwerp dat mijns inziens op grond van dit overzicht een essentiële rol speelt bij de persoonlijkheidsratio van het recht op respect voor privacy is de ontwikkeling van de persoonlijkheid.14 Een mens wordt een zelfdeterminerend wezen, dat zelfkritisch en zelfbewust is doordat hij zijn capaciteiten ontwikkelt en doordat hij leert van anderen en zijn omgeving. Ook al ligt een deel van onze persoonlijkheid min of meer vast in de genetische dispositie, dat betekent nog niet dat de specifieke persoonlijkheidseigenschappen tot wasdom zijn gekomen. De persoonlijkheid van een mens is (evenals het lichaam) niet direct ‘volgroeid’ bij de geboorte maar wordt gaandeweg het leven ontwikkeld. De totstandkoming van de persoonlijkheid is niet alleen nature maar ook nurture. Om uiteindelijk verschillende, relatief stabiele persoonlijke eigenschappen tot stand te laten komen, is ontwikkeling (in de breedste zin van het woord) noodzakelijk. Door onderwijs worden onder andere sociale en culturele normen overgebracht en cognitieve eigenschappen, zoals reken- en taalvaardigheid, geleerd. Door contact met anderen en het zich begeven in de samenleving worden ook normen en waarden doorgegeven en komen sociale en intieme relaties tot stand waarbij onder andere de emotionele intelligentie wordt ontwikkeld. De persoon ontwikkelt dan een sense of self. 15 Dit is een synoniem van agency, zoals dat in paragraaf 2.3.2 van het vorige hoofdstuk bij de bespreking van de onderdelen van de menselijke waardigheid aan bod is gekomen. De persoon dient een netwerk van eigenschappen, normen, waarden en voorkeuren te ontwikkelen waarmee hij beredeneert een keuze kan maken tussen verschillende gedragsopties.16
Bloustein beargumenteert daarom dat privacy boven elke prijs is verheven.17 Door handelingen van derden kan informatie naar buiten worden gebracht waarvoor een mens zich schaamt, die hem in een slecht daglicht stelt of die hem economisch nadeel oplevert. Deze instrumentele waarde is echter niet het enige dat de schending van de privacy aantast. De schending tast de zelfbeschikking van de persoon, zijn zelfvertrouwen en zelfrespect aan. Dit zijn intrinsieke waarden, die door de schending niet worden getransfereerd naar de overtreder. De persoon van wie de privacy wordt geschonden, verliest een deel van een intrinsieke waarde maar de indringer verkrijgt niet de zelfbeschikking waarop hij een inbreuk heeft gemaakt. Het recht op respect voor privacy hoort juist de individuele vrijheid om zelf beslissingen te nemen te beschermen.18 Het woord ‘zelf’ heeft hier twee betekenissen: eerst het onafhankelijk van anderen beslissen en ten tweede dat ‘het zelf’ de beslissing neemt. De vraag rijst welke bescherming deze uitwerking van het recht op respect voor privacy biedt in vergelijking met de autonomie als onderdeel van het juridische concept menselijke waardigheid (zie paragraaf 2.3.2 van hoofdstuk 5). Op deze wijze lijkt het recht op respect voor privacy een element te zijn van het respect voor de autonomie van de mens.19 In het slothoofdstuk beschouw ik onder andere de verhouding tussen de concepten menselijke waardigheid en privacy. Hierbij besteed ik expliciet aandacht aan de generalis-specialis verhouding die lijkt te bestaan tussen deze twee concepten.
De persoonlijkheid en persoonlijke voorkeuren van de mens maken hem uniek en vormen de basis voor zijn keuzes en daarmee van zijn leven. Voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid zijn volgens mij ten minste twee onderdelen onmisbaar, namelijk onderwijs20 en sociale en intieme relaties.21 Onderwijs is noodzakelijk om allerlei sociale en cognitieve vaardigheden op te doen en vormt een belangrijk onderdeel bij de overdracht van culturele waarden. Omdat de ontwikkeling van de persoonlijkheid door onderwijs weinig relevant is voor het verdere onderzoek ga ik daarop niet dieper in. Onderwijs is echter maar een deel van de ‘persoonlijkheidspuzzel’. Zonder sociale en intieme relaties, waarin vriendschap, liefde en vertrouwen22 en spontaniteit23 centraal staan, kan de persoonlijkheid niet in volle omvang worden ontwikkeld. Persoonlijkheden met sterk ontwikkelde cognitieve vaardigheden maar slecht ontwikkelde of afwezige empathie zijn het stereotypevoorbeeld van psychopaten (of preciezer: personen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis). Natuurlijk is het onvermijdelijk dat deze combinatie – sterke cognitieve vaardigheden, zwakke emotionele vaardigheden – voorkomt in de samenleving, maar de maatschappij heeft niet altijd baat bij het typische gedrag van psychopaten. Dus voor de volledige, maatschappelijk aanvaardbare ontwikkeling van de persoonlijkheid zijn ook sociale en emotionele vaardigheden noodzakelijk. Sociale en emotionele vaardigheden kunnen natuurlijk ook worden geleerd tijdens en door onderwijs, maar sociale en intieme interactie met familie, vrienden en geliefden lijkt daarvoor meer aangewezen. Een belangrijk deel van de persoonlijkheid wordt derhalve ontwikkeld als personen relaties aangaan.
De persoonlijkheidsratio ziet het recht op respect voor privacy als een beschikkingsrecht over het eigen leven, waarbij keuzes worden gemaakt op basis van cognitieve, sociale, emotionele vaardigheden. De (onaantastbaarheid van de) persoonlijkheid24 en de mens als self-determining being25 staan daarbij centraal. De mens moet onafhankelijk en op basis van persoonlijke eigenschappen en voorkeuren levens- en gedragskeuzes kunnen maken. Hierbij is ten minste vereist dat iemand zich kan ontwikkelen, bijvoorbeeld door middel van het volgen van onderwijs, zodat normen, waarden en vaardigheden worden overgedragen én sociale en intieme relaties aan kan gaan zodat niet enkele intellectuele en cognitieve maar ook sociale en emotionele vaardigheden worden geleerd.