Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/2.0
2.0 Introductie
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS481909:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9136 (Woonarkarrest).
HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO3644 (Havenkraanarrest).
Het aan dit hoofdstuk ten grondslag liggende onderzoek is reeds gedeeltelijk als artikel gepubliceerd. Zie: ‘Is een woonark onroerend?’ NTBR 2010/18, ‘Havenkranen onroerend? Over het verschil tussen rijden en drijven. N.a.v. Hoge Raad 24 december 2010, LJN BO3644’, NTBR 2011/27 en ‘De introductie van drijvende percelen’, WPNR 2015/7071.
Stellingen
Voor de toepasselijkheid van art. 3:3 lid 1 BW maakt het een groot verschil of een zaak heen en weer of op en neer kan bewegen.
Uit het Havenkraanarrest blijkt dat art. 3:3 lid 1 BW een dubbele toets kent: 1) is er sprake van een vereniging, 2) is deze duurzaam?
Bij vernieuwende bouwprojecten waarin meervoudig ruimtegebruik centraal staat, wordt de rol van een juritect steeds belangrijker.
Om de nadelige consequenties van het feit dat al hetgeen drijft een roerende zaak is te ondervangen, dient het mogelijk te worden om drijvende platformen als (drijvende) percelen in te schrijven in de openbare registers.
Inleiding
In het voorgaande hoofdstuk is art. 3:3 BW en de indirecte vereniging besproken. Hierin is uiteengezet dat voor de vraag of een gebouw of werk duurzaam verenigd is met de grond in de zin van art. 3:3 lid 1 BW, het in het Portacabinarrest neergelegde bestemmingscriterium geldt. Tevens is besproken dat toepassing van het bestemmingscriterium heeft geleid tot een verruiming van het onroerende zaaksbegrip. Hierop bestaat echter een belangrijke uitzondering: in een aantal recent gewezen arresten heeft de Hoge Raad bepaald dat drijvende woningen, die onder de definitie van ‘schepen’ vallen, zoals neergelegd in art. 8:1 BW, in beginsel roerende zaken zijn.
In dit hoofdstuk staan twee vragen centraal:
“Wat zijn de juridische consequenties van de kwalificatie als roerende zaak voor drijvende objecten?”
En:
“Op welke manier zou men drijvend bouwen op grote schaal (te denken aan drijvende woonwijken of zelfs aan drijvende steden) juridisch mogelijk kunnen maken?”
De titel van dit hoofdstuk is ‘het verschil tussen rijden en drijven voor art. 3:3 lid 1 BW’. Om dit verschil te duiden, zullen een tweetal arresten uitgebreid besproken en vergeleken worden, te weten het Woonarkarrest1 en het Havenkraanarrest.2 Daarna zal ingegaan worden op de consequenties die het Woonarkarrest heeft voor de ontwikkeling van drijvend bouwen, zowel op micro- als op macroniveau.3