Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.6.4.2
II.6.4.2 Eigendomsbegrip
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS375273:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Barkhuysen en Van Emmerik 2003, p. 4 e.v. Zie ook de daar gegeven opsomming van zaken die volgens het Hof onder het eigendomsbegrip vallen.
EHRM 7 juli 1989, zaaknr. 10873/84.
EHRM 24 september 2002, zaaknr. 27824/95 (Posti en Rahko t. Finland).
EHRM 10 juli 2007, zaaknr. 15084/03 (Bimer S.A. t. Moldavië).
Zie ook in die zin: EHRM 8 april 2008, EHRC 2008/75 m.nt. Backes en AB 2008/224 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik (Megadat.com SRL t. Moldavië) en EHRM 29 maart 2011, EHRC 2011/106 m.nt. De Kam (Kemal Uzan t. Turkije). Barkhuysen en Van Emmerik merken mijns inziens dan ook terecht op dat niet altijd goed is te voorspellen wat het Hof in een concrete zaak als eigendom aanmerkt. Zie voor enkele recente voorbeelden EHRM 13 januari 2015, JB 2015/82 m.nt. Tjepkema en EHRC 2015/74 m.nt. Tjepkema inzake de intrekking van een vergunning om tabaksproducten te verkopen en EHRM 21 juli 2015, EHRC 2015/204 (Donprut S.R.L. t. Moldavië) inzake de intrekking van een taxivergunning.
Zie met name HR 2 september 2011, AB 2011/369 m.nt. Van Ommeren en JB 2011/248 m.nt. Sanderink.
EHRM 30 april 2013, AB 2014/13 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik en EHRC 2013/201 m.nt. De Kam. Zie voorts meer uitgebreid over deze zaak in relatie tot art. 1 EVRM: De Kam 2013.
EHRM 6 juli 2005, AB 2005/376 m.nt. Pennings, EHRC 2005/98 m.nt. Pennings, USZ 2005/395 m.nt. Red. en RSV 2006/114.
EHRM 18 mei 2010, AB 2010/189 m.nt. Barkhuysen en Den Ouden.
Om een beroep te kunnen doen op één van de in paragraaf 6.4.1 genoemde regels, is vereist dat sprake is van eigendom in de zin van artikel 1 EP. Zoals gezegd geeft het EHRM een ruime uitleg aan dit begrip. De door het EHRM gegeven interpretatie van het eigendomsbegrip is daardoor ruimer dan het eigendomsbegrip dat bijvoorbeeld in het Burgerlijk Wetboek wordt gehanteerd.1 Wat betreft de intrekking van beschikkingen valt bijvoorbeeld te wijzen op het hiervoor reeds besproken arrest Tre Traktörer Aktiebolag t. Zweden.2 Centraal stond de intrekking van een drankvergunning ten behoeve van het restaurant ‘Le Cardinal’, omdat de houdster van deze vergunning werd geacht niet langer geschikt te zijn om alcoholische dranken te schenken. De vergunninghoudster deed een beroep op art. 1 EP. Alvorens de vraag te beantwoorden of sprake was van een schending van deze bepaling, ging het EHRM na of de drankvergunning gekwalificeerd kon worden als eigendom in de zin van art. 1 EP. Het EHRM overwoog daartoe:
‘Like the Commission, however, the Court takes the view that the economic interests connected with the running of Le Cardinal were “possessions” for the purposes of Article 1 of the Protocol (P1-1). Indeed, the Court has already found that the maintenance of the licence was one of the principal conditions for the carrying on of the applicant company’s business, and that its withdrawal had adverse effects on the goodwill and value of the restaurant […].’
Het EHRM lijkt dus niet de vergunning zelf, maar de economische belangen die gepaard gaan met het gebruik maken van de vergunning, het drijven van het restaurant, aan te merken als eigendom in de zin van art. 1 EP.
In het arrest Posti & Rahko t. Finland lijkt het EHRM ook een dergelijke redenering te hanteren. Het betrof de beëindiging van een contract dat het recht gaf om in bepaalde wateren te vissen. Het EHRM merkt niet het contract zelf, maar het daaruit voortvloeiende recht om te vissen aan als eigendom in de zin van art. 1 EP:
‘The Court finds that the applicants' right to engage in certain types of fishing in State-owned waters on the basis of their lease constituted a “possession” for the purposes of Article 1 of Protocol No. 1. The limitation of that right through the 1996 and 1998 Decrees amounted to a control of the use of those possessions, within the meaning of the second paragraph of Article 1 of Protocol No. 1.’3
In het arrest Bimer S.A. t. Moldavië lijkt het EHRM een andere benadering te kiezen:
‘It is undisputed between the parties that the applicant company’s licence to operate the duty free shop and bar constituted a possession for the purposes of Article 1 of Protocol No. 1 to the Convention.’4
Hier lijkt het EHRM van mening te zijn dat de vergunning zelf als eigendom in de zin van artikel 1 EP moet worden aangemerkt. Hierbij speelt wellicht een rol dat een en ander ook tussen partijen geen punt van discussie opleverde. Ook in latere jurisprudentie is een dergelijke redenering terug te vinden.5
In arrest Lohuis e.a. t. Nederland, waarin de vraag centraal staat of varkensrechten welke waren toegekend op grond van de Wet herstructurering varkenshouderij als eigendom in de zin van art. 1 EP gekwalificeerd konden worden, focust het EHRM zich vooral op de redenering van de nationale rechter(s):6
‘The Court reiterates that “possessions” within the meaning of Article 1 of Protocol No. 1 can be either existing possessions or assets, including claims, in respect of which an applicant can argue that he has at least a “legitimate expectation” that they will be realised […]. However, as the Court has frequently held, it is in the first place for the national authorities, notably the courts, to interpret and apply domestic law […]. Furthermore, no “legitimate expectation” protected by Article 1 of Protocol No. 1 can be said to arise where there is a dispute as to the correct interpretation and application of domestic law and the applicant’s submissions are subsequently rejected by the national courts […] — as in the present case the applicants’ submissions were by the Supreme Court in its judgment of 16 November 2001 […].’7
De wijze waarop het EHRM een beschikking in het licht van het eigendomsbegrip van art. 1 EP kwalificeert, laat al met al een divers beeld zien. Zoals in het navolgende zal blijken, heeft een en ander consequenties voor de kwalificatie van de intrekking van de beschikking in het licht van art. 1 EP.
Art. 1 EP is niet alleen van toepassing op allerlei soorten vergunningen. Ook in de sfeer van de sociale zekerheid, vindt deze bepaling toepassing. Sinds het arrest Stec e.a. t. Verenigd Koninkrijk geldt dat een sociale zekerheidsuitkering valt onder het bereik van art. 1 EP. Daarvoor is niet relevant (meer) of voor een dergelijke uitkering door de uitkeringsgerechtigde premies zijn afgedragen.8 Ook subsidiebeschikkingen vallen onder het bereik van art. 1 EP.9 Hierop wordt teruggekomen in hoofdstuk 14 inzake het sociale zekerheidsrecht, respectievelijk hoofdstuk 11 inzake subsidies.