Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.6.4.3
II.6.4.3 Inbreuk op het eigendomsrecht
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS381329:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Barkhuysen en Van Emmerik 2013, p. 317.
Zie voor een voorbeeld: EHRM 31 mei 2007, EHRC 2007/86 (Bistrovic t. Kroatië).
Daarvan is sprake wanneer een wettelijke basis voor onteigening ontbreekt, maar de beschikkingsmacht over de zaak zo goed als geheel en definitief wordt weggenomen. Zie Akkermans 2011, p. 18-20 (noot 20). Vgl. voorts EHRM 18 februari 1991, zaaknr. 12033/86 (Fredin t. Zweden).
Barkhuysen en Van Emmerik 2005, p. 61 en Barkhuysen en Van Emmerik 2013, p. 317.
Zie onder meer EHRM 10 juli 2007, zaaknr. 15084/03 (Bimer S.A. t. Moldavië), EHRM 24 september 2002, zaaknr. 27824/95 (Posti en Rahko t. Finland), EHRM 28 juli 2005, zaaknr. 51728/99 (Rosenzweig en Bonded Warehouse Ltd. t. Polen), en EHRM 8 april 2008, AB 2008/224 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik en EHRC 2008/75 m.nt. Backes (Megadat.com SRL t. Moldavië).
Vgl. ook de stelling van eisers in HR 16 november 2001, AB 2002, 25 m.nt. Van Buuren (r.o. 6.1.1).
EHRM 24 november 2005, zaaknr. 49429/99.
EHRM 8 april 2008, AB 2008/224 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik en EHRC 2008/75 m.nt. Backes.
Zie onder meer EHRM 18 februari 1991, zaaknr. 12033/86 (Fredin t. Zweden) en EHRM 29 november 1991, zaaknr. 12742/87 (Pine Valley Developments Ltd. e.a. t. Ierland).
EHRM 7 juli 1989, zaaknr. 10873/84. Vgl. voorts HR 16 november 2001, AB 2002, 25 m.nt. Van Buuren r.o. 3.4 onder punt 3: de kortingen op varkensrechten zijn geen ontneming van eigendom, maar regulering daarvan, nu het gevolg van de korting slechts is dat het gebruik van de varkenshouderijbedrijven verder wordt beperkt. De bedrijven worden echter niet waardeloos.
Zie voor een recente toepassing EHRM 30 april 2013, AB 2014/13 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik en EHRC 2013/201 m.nt. De Kam (Lohuis e.a. t. Nederland).
Zoals gezegd bestaat een recht op het ongestoord genot van eigendom. Dat betekent geenszins dat inbreuken op het eigendomsrecht niet zijn toegestaan. In art. 1 EP wordt een tweetal inbreuken onderscheiden, te weten ontneming van eigendom en regulering van eigendom. Het meest ingrijpend is de ontneming. Daarvan is sprake bij een juridische of feitelijke eigendomsoverdracht, met als gevolg dat het recht om over de eigendom te beschikken, verdwijnt.1 Daarbij kan worden gedacht aan onteigening2 of maatregelen die de facto onteigening inhouden.3 Regulering is minder verstrekkend. Bij regulering vindt enkel een beperking plaats wat betreft de gebruiksmogelijkheden van de eigendom. Het recht om erover te beschikken gaat echter niet volledig verloren.4
De intrekking van beschikkingen wordt door het EHRM doorgaans aangemerkt als regulering van eigendom in de zin van de tweede paragraaf van art. 1 EP.5 Dat is opvallend, nu het EHRM de vergunning (of andere publiekrechtelijke toestemming) zelf soms als eigendom aanmerkt.6 Intrekking van een dergelijke vergunning zou dus neerkomen op eigendomsontneming in de zin van de tweede volzin van de eerste alinea artikel 1 EP. In het arrest Capital Bank AD t. Bulgarije doet het EHRM een poging deze onduidelijkheid weg te nemen. Het betrof de intrekking van een bankvergunning, welke intrekking door het EHRM wordt gekwalificeerd als reguleringsmaatregel. Het EHRM erkent daarbij wel dat wanneer de vergunning zelf wordt aangemerkt als eigendom, de intrekking eigenlijk een ontneming zou opleveren. Toch is het EHRM van oordeel dat sprake is van eigendomsregulering:
‘The Court further notes that having a licence was one of the principal conditions on which the applicant bank depended for carrying on its business, and that its withdrawal had the effect of automatically putting it into compulsory liquidation […]. Therefore, the revocation of the licence constituted an interference with the applicant bank’s possessions and Article 1 of Protocol No. 1 is applicable […]. As regards which provision of Article 1 of Protocol No. 1 applies in the instant case, the Court observes that the BNB’s decision to revoke the licence was clearly taken as a measure to control the banking sector in the country. It is true that it involved a deprivation of property, insofar as the licence itself could be considered as a possession, but in the circumstances the deprivation formed a constituent element of a scheme for controlling the banking industry. The Court therefore considers that it is the second paragraph of Article 1 of Protocol No. 1 which is applicable .’7
De redenering van het EHRM lijkt te zijn dat de intrekking van de bankvergunning gezien moet worden in een groter geheel van diverse reguleringsmaatregelen die op dat moment in de bankwereld werden getroffen. Nu het geheel van deze maatregelen dient ter regulering van de bankwereld, wordt ook de intrekking gekwalificeerd als een reguleringsmaatregel. In het arrest Megadat.com SRL t. Moldavië wordt een andere benadering gekozen. Het betrof de intrekking van een vergunning voor een internetprovider. Het EHRM overwoog:
‘It is undisputed between the parties that the applicant company’s licences constituted a possession for the purposes of Article 1 of Protocol No. 1 to the Convention. […] Although the applicant company could not carry on its business, it retained economic rights in the form of its premises and its property assets. In these circumstances, as in the Bimer case, the termination of the licences is to be seen not as a deprivation of possessions for the purposes of the second sentence of Article 1 of Protocol No. 1 but as a measure of control of use of property which falls to be examined under the second paragraph of that Article.’8
Deze redenering komt overeen met eerdere jurisprudentie van het EHRM.9 Reeds in het arrest Tre Traktörer Aktiebolag t. Zweden oordeelde het EHRM dat intrekking van een drankvergunning geen ontneming van eigendom opleverde, omdat klaagster ondanks de intrekking eigenaar bleef van bepaalde bedrijfsmiddelen.10 Wanneer dus de eigendom, bijvoorbeeld bepaalde bedrijfsmiddelen die samenhangen met een (ingetrokken) vergunning, blijft bestaan, levert intrekking van een beschikking geen ontneming, maar regulering van eigendom op. Dit lijkt inmiddels een bestendige jurisprudentie te zijn.11