Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/5.4:5.4 De rol van de verkeersopvatting bij natrekking van kabels en leidingen
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/5.4
5.4 De rol van de verkeersopvatting bij natrekking van kabels en leidingen
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS487927:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
J.P. van Loon en H.D. Ploeger, ‘Registratie van de eigendom van kabel- en leidingnetwerken’, in: Energie en Eigendom – Preadvies Nederlandse Vereniging voor Energierecht, Antwerpen: Intersentia 2011, p. 47.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het bovenstaande blijkt het belang van de verkeersopvatting voor de vraag wie eigenaar is van (een netwerk van) kabels en leidingen. Allereerst omdat aan de hand van de verkeersopvatting bepaald dient te worden of er sprake is van een ‘net’ in de zin van art. 5:20 lid 2 BW. Hiervoor dient sprake te zijn van een feitelijke en functionele eenheid.
Indien het antwoord op deze vraag ontkennend luidt, is art. 5:20 lid 2 BW niet van toepassing en dient men terug te vallen op het algemene vermogensrecht. Zo dient beoordeeld te worden of de kabel of leiding op grond van de verkeersopvatting van art. 3:4 lid 1 BW bestanddeel is van het gebouw. Hiervoor geldt dat indien de kabel of leiding dienstbaar is aan het gebouw, als gebouw de kabel naar verkeersopvatting een bestanddeel is, waardoor de eigenaar van het gebouw op grond van art. 5:3 BW tevens eigenaar is van de kabel of leiding.
Wanneer ook dat antwoord ontkennend luidt, dient getoetst te worden aan art. 3:3 BW. Indien de kabel of leiding naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, zal deze aangemerkt worden als onroerende zaak, zodat de eigenaar van de grond ook eigenaar is van de kabel of leiding (art. 5:20 lid 1 sub e BW).
Gezien het bovenstaande vervult de verkeersopvatting bij het bepalen van de omvang van een net niet “slechts de functie van ‘vangnet’”, zoals Ploeger en Van Loon zich afvragen,1 maar is de verkeersopvatting ook hierbij van doorslaggevende betekenis.