Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.7.1.2
III.7.1.2 Procesautonomie
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS458009:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Th.O.M. Dieben, ‘De verdachte’, inleidende opmerkingen 2b en 2c en aantekening bij artikel 29 Sv, in: C.P.M. Cleiren, M.J.M. Verpalen & J.H. Crijns (red.), Tekst & CommentaarStrafvordering, Deventer: Kluwer online, laatst bijgewerkt op 15 augustus 2016.
EHRM 17 december 1996, NJ 1997, 699, r.o. 68, m.nt. Kn (Saunders vs. het Verenigd Koninkrijk).
G. Knigge, punt 5 noot onder EHRM 17 december 1996, NJ 1997, 699 (Saunders vs. het Verenigd Koninkrijk).
G. Knigge, punten 5 en 6 noot onder EHRM 17 december 1996, NJ 1997, 699 (Saunders vs. het Verenigd Koninkrijk) en M.S. Groenhuijsen & G. Knigge, ‘Algemeen deel’, in: M.S. Groenhuijsen & G. Knigge (red.), Afronding en verantwoording, Deventer: Kluwer 2004, p. 50 e.v.
M.S. Groenhuijsen & G. Knigge, ‘Algemeen deel’, in: M.S. Groenhuijsen & G. Knigge (red.), Afronding en verantwoording, Deventer: Kluwer 2004, p. 52.
Zie ook R.S. Gerstein, ‘Privacy and Self-Incrimination’, Ethics 1970, 2, p. 88 en D. Aben, conclusie, punt 10.3.4 bij HR 5 juli 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BP6144.
P.J. Baauw, ‘Boekbespreking: E. Myjer, “Van duimschroef naar bloedproef”’, NJB 1979, 23, p. 469.
Zie voor een uitgebreide beschouwing B.F. Keulen & G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2016, p. 32 e.v.
B.D. Meltzer, ‘Required Records, the McCarran Act, and the Privilege against Self-Incrimination’, The University of Chicago Law Review 1951, 4, p. 688 en R.S. Gerstein, ‘Privacy and Self-Incrimination’, Ethics 1970, 2, p. 88.
R.B. McKay, ‘Self-Incrimination and the New Privacy’, The Supreme Court Review 1968, p. 209.
Naast de betrouwbaarheid van het bewijs wordt de procesautonomie als rechtsgrond van het nemo-teneturbeginsel onderscheiden. De verdachte wordt in dit verband gezien als een autonome procespartij en niet enkel als object van onderzoek (dat betrouwbaar bewijs moet ‘afleveren’). Natuurlijk is een verdachte een belangrijke bron van informatie omtrent zijn mogelijke betrokkenheid bij een strafbaar feit. Dat is echter niet zijn enige rol in het strafrechtelijk onderzoek dat tegen hem loopt. De verdachte is immers ook een autonome procespartij. Dit betekent dat hij (en zijn advocaat) de ruimte moeten krijgen een bepaalde positie ten opzichte van de vervolgende autoriteiten en de aanklacht in te nemen. De verdachte kan niet worden gedwongen om bepaalde bewijsmiddelen te leveren. De verdachte dient naar eigen voorkeur zijn houding tijdens het vooronderzoek en onderzoek ter terechtzitting te kunnen bepalen. Het toekennen van rechten aan de verdachte, zoals het nemo-teneturbeginsel, dragen bij aan de mogelijkheid om de procespositie te bepalen.1 In deze zin komt deze rechtsgrond zeer sterk overeen met de uitwerking van een menswaardig strafprocesrecht (zie paragraaf 1.1.2 van hoofdstuk 5). Het uitgangspunt dat daar is verdedigd, is dat het menswaardig behandelen van de verdachte, kort gezegd, inhoudt dat hij, als (1) onderwerp van het verhaal (de tenlastelegging), (2) zijn (3) persoonlijke verhaal kan vertellen, waarbij (2) en (3) respectievelijk autonomie-als-onafhankelijkheidsprincipe en autonomie-als-agency betekenen.
Volgens het EHRM veronderstelt
‘the right not to incriminate oneself, in particular, […] that the prosecution in a criminal case seek to prove their case against the accused without resort to evidence obtained through methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accused’. (onderstreping DvT)2
In deze zin biedt het zwijgrecht de verdachte de mogelijkheid om een afweging te maken of hij een verklaring wil afleggen. Deze keuze dient afhankelijk te zijn van zijn wil, en deze keuze mag niet door dwang of onderdrukking worden beïnvloed. Het nemo-teneturbeginsel – in de zin dat het een verbod inhoudt dat de verdachte wordt gedwongen andere bewijsmiddelen dan verklaringen aan de autoriteiten af te staan – biedt de verdachte de keuze omtrent welk bewijsmateriaal hij in de procedure wil brengen en op welk moment. Als de verdachte niet de beschikking zou hebben over het zwijgrecht en het nemo-teneturbeginsel, dan bestaat de mogelijkheid dat de verdachte enkel, of ten minste voornamelijk, object van onderzoek is. De opsporingsautoriteiten zouden dan door gebruik te maken van dwang tegen de wil van de verdachte kunnen bepalen welke bewijsmiddelen in het strafproces worden verzameld en gebruikt. Dit strookt niet met het uitgangspunt dat de verdachte naast informatiebron ook procespartij is.
In de vorige paragraaf werd de rechtvaardiging van het nemo-teneturbeginsel en het zwijgrecht gezocht in het belang van de materiële waarheidsvinding. Het belang van materiële waarheidsvinding kan het nemo-teneturbeginsel echter niet volledig rechtvaardigen.3 De balans moet worden gezocht in de procesautonomie van de verdachte. Groenhuijsen en Knigge beschrijven dat het belang van deze rechtsgrond in eerste plaats gezocht dient te worden in de positie die de verdachte in het strafproces bekleedt.4 Het uitgangspunt is dat de partijen in een strafproces (zoveel mogelijk) gelijkwaardig zijn. Hierbij past niet dat de ene procespartij, de aanklager, de andere procespartij, de verdachte, kan dwingen bepaald bewijsmateriaal af te staan. Het belang van de materiële waarheidsvinding wordt niet bovengeschikt gemaakt aan de positie van de verdachte in het proces maar er dient een balans tussen beide gronden te worden gezocht.
‘[H]et nemo tenetur-beginsel vertegenwoordigt belangen die niet louter instrumenteel zijn aan de waarheidsvinding, maar als zelfstandige belangen bescherming verdienen in het strafprocesrecht. Het gaat daarbij om gewichtige belangen. […] [H]et privilege against selfincrimination markeert de vrije positie van de verdachte in het strafproces ten opzichte van de overheid. Het gaat bij dat beginsel om de vrije positie die de burger ten opzichte van de overheid toekomt, een vrije positie die hij behoudt als hij strafrechtelijk wordt vervolgd.’5
De rechtsgrond procesautonomie komt voornamelijk voort uit de positie die een verdachte inneemt in een accusatoir of contradictoir proces.6 Volgens Baauw past het nemo-teneturbeginsel dan ook beter ‘in een constitutionele,accusatoire en contradictoire procedure’ dan in een ‘op ambtshalve waarheidsvindinggerichte processtructuur’.7 Voornamelijk in de positie van de rechter ten opzichte van de partijen en de positie die de partijen tegenover elkaar innemen, verschillen de stereotype inquisitoire en accusatoire procesmodellen.8 Zo neemt de rechter in een (volledig) inquisitoir model een actieve rol in en is hij uiteindelijk verantwoordelijk voor de waarheidsvinding, en daarmee dus voor de bewijsgaring. De verdachte is hierbij juist object van onderzoek. De informatie die de verdachte bezit, is in de meeste gevallen noodzakelijk om de waarheid te achterhalen. In zo’n stelsel lijkt het belang van het bestaan van het nemo-teneturbeginsel voornamelijk te zijn gelegen in het bewaken van de betrouwbaarheid van het bewijs (zie daarover de vorige paragraaf). In een (strikt) accusatoir model is de rechter lijdelijk en laat de ‘waarheidsvinding’ over aan de partijen. De rechter dient te oordelen over de feiten die door de partijen in de procedure naar voren worden gebracht, ook al is het duidelijk dat dit niet de materiële waarheid is. De partijen in een accusatoir proces zijn gelijkwaardig en hebben min of meer dezelfde wapens. Het zwijgrecht en het nemo-teneturbeginsel – en daarmee de keuze om geen informatie te verstrekken – passen niet goed in het stereotype inquisitoire stelsel, maar wel in een strikt accusatoir proces.
Als argument tegen de waarde van de procesautonomie als rechtsgrond van het nemo-teneturbeginsel wordt ingebracht dat het beginsel op deze manier geen intrinsieke waarde, geen doel-in-zichzelf is. Het beginsel wordt dan namelijk gebruikt als middel om de doelen van een accusatoir systeem te bereiken. Het nemo-teneturbeginsel past niet alleen beter bij een accusatoir stelsel, maar is namelijk ook noodzakelijk voor een efficiënt en eerlijk accusatoir systeem.9 Bij het uitgangspunt dat partijen in principe gelijkwaardig zijn en dat een proces met twee gelijkwaardige partijen eerlijker is en tot een waarheidsgetrouwere uitspraak komt, past het niet dat de aanklager de verdachte kan dwingen (beschuldigende) informatie te verstrekken. Dat de aanklager zonder medewerking van de verdachte de volledige bewijslast draagt, wordt als integriteit van het (Amerikaanse) adversarieel systeem beschouwd.10 In de Amerikaanse literatuur wordt het accusatoir systeem daarbij wel steevast vergeleken met het (stereotype en inmiddels hypothetische) inquisitoire, continentale systeem waarin tortuur de ‘gewoonste’ zaak van de wereld is.
Een onderwerp dat hierbij voor (neuro)geheugendetectie in het bijzonder van belang is, is of het nemo-teneturbeginsel en het zwijgrecht ook omvatten dat gedachten mogen worden afgeschermd. Voor de GKT betekent dit dat moet worden afgewogen of het openbaren van herinneringen wel of geen strijd oplevert met het nemo-teneturbeginsel en het zwijgrecht, aangezien het de verdachte mogelijk belemmert in het maken van een keuze voor een bepaalde proceshouding. (Neuro)geheugendetectie test namelijk of een bepaalde persoon informatie eerder heeft waargenomen en het dus herkent, of dat hij de informatie voor de eerste keer ziet. De uitslag dat verschillende specifieke daderkennis eerder is waargenomen, is een sterke aanwijzing voor enige betrokkenheid bij het strafbare feit. Vervolgens dient ook aandacht te worden besteed aan de manier waarop de herinneringen inzichtelijk worden gemaakt. Het geheugen zelf – als onderdeel van de hersenen – wordt onderzocht, en niet bijvoorbeeld een dagboek of verstuurde e-mailberichten. Hierdoor rijst onder andere de volgende vraag: welke rol speelt het feit dat de hersenen en het geheugen worden onderzocht voor de procesautonomie, onder andere omdat een persoon niet zelf kan bepalen wat hij opslaat in zijn geheugen en (door middel van bijvoorbeeld priming) later herinnert? Met het schrijven van een dagboek of het versturen van e-mailberichten neemt een persoon de kans voor lief dat andere dan de geadresseerde(n) op enig moment kennis nemen van de inhoud van het geschrevene. Bij het opslaan van herinneringen in het geheugen is deze kans in beginsel niet aanwezig. Het geheugen en de herinneringen zijn normaliter niet toegankelijk voor anderen. De aantasting van de zelfbeschikking over de herinneringen die op geen enkele wijze zijn geopenbaard, maken dat de GKT de procesautonomie, op een voor het strafprocesrecht onbekende wijze, beperkt.