Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/3.7.9
3.7.9 Oprichters- en winstbewijzen
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS385287:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de memorie van toelichting op het ambtelijk voorontwerp, eerste tranche, overweegt de wetgever onder meer (p. 10-11): “Een recht om te delen in de winst kan worden opgenomen in de statuten. Anders dan bij een stemrechtloos aandeel is er bij een statutair winstrecht geen inbreng vereist, is het geen onderdeel van het aandelenkapitaal en zijn er geen vergaderrechten aan verbonden. Een statutair winstrecht kan voorzien in de behoefte om rechten uit te geven met winstdeling doch zonder invloed op de besluitvorming. Een vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt via certificering van aandelen. Bij certificering worden de zeggenschap en het financieel-economisch belang gescheiden. (…) Het toevoegen van de figuur van het stemrechtloze aandeel aan de bestaande instrumenten van het statutair winstrecht en certificering zou voor de praktijk meer keuzevrijheid en dus meer flexibiliteit opleveren. (…) De voordelen lijken beperkt, omdat vergelijkbare resultaten kunnen worden bewerkstelligd via statutaire winstrechten en certificering. De nadelen van stemrechtloze aandelen bestaan ondermeer uit de onduidelijkheid die zou ontstaan bij de afbakening tussen statutaire winstrechten en aandelen zonder stemrecht. (…)” De redenering van de wetgever is om meerdere redenen niet juist. Ten eerste, de wetgever gaat bij het statutair winstrecht ervan uit dat geen inbreng plaatsvindt. Bij het stemrechtloze aandeel en het certificaat van aandeel vindt in ieder geval enige inbreng plaats. Ten tweede, de houders van stemrechtloze aandelen hebben per definitie vergaderrecht. Ten derde, de wetgever lijkt ervan uit te gaan dat de certificaathouder per definitie geen invloed heeft op de besluitvorming. Dat lijkt mij onjuist, omdat de indirecte invloed van de certificaathouder op de besluitvorming in de BVer vaak wel is. In het bestuur van de STAK wordt in de praktijk vaak een bestuurder namens de certificaathouders benoemd. Ook komen stemvolmachten voor. De STAK dient daarnaast mede de belangen van de certificaathouders in haar besluitvorming te betrekken. Juist vanwege de verschillen tussen de drie rechtsfiguren van het stemrechtloze aandeel, het certificaat en het participatiebewijs (althans het statutaire winstrecht) hebben die rechtsfiguren bestaansrecht naast elkaar.
Vgl. stock appreciation rights.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 233; Van Schilfgaarde & Winter 2009, p. 140; Slagter 2005, p. 278; Sanders & Westbroek 2005, p. 100; Eisma e.a. 2002, p. 36-37; Rensen 2005, p. 36; Uittien & Alleman 2010, p. 308 en Van der Grinten 1991, p. 122-124. Sanders & Westbroek 2005, p. 100, noot 4, stellen dat winstbewijzen ook wel worden aangeduid als participatiebewijzen. Ook Eisma ziet winstbewijzen als participatiebewijzen, zie Eisma 1991, p. 29. Dat lijkt mij niet juist gelet op de gegeven definitie van het participatiebewijs.
Van der Grinten 1991, p. 124-125; Prinsen 2004, p. 127, noot 140 en Rensen 2005, p. 36.
Zie art. 2:232 BW, Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 233 en Sanders & Westbroek 2005, p. 101.
In de statuten van een vennootschap kan op grond van het bepaalde in art. 2:216 lid 1 jo. 2:232 BW worden bepaald dat aan bepaalde personen, niet zijnde aandeelhouders, een winstrecht wordt toegekend door middel van de uitgifte van winstbewijzen.1,2 Indien deze bewijzen aan de oprichters van de vennootschap worden uitgegeven, spreekt men van oprichtersbewijzen. Winst- of oprichtersbewijzen worden uitgegeven als beloning voor bewezen diensten of om andere redenen. In de praktijk wordt van deze bewijzen niet veel gebruik gemaakt. Strikt genomen is de uitgifte van een bewijs niet noodzakelijk. Een regeling daartoe in de statuten is voldoende om het winstrecht te creëren. De rechtsverhouding tussen de houder van een winstbewijs en de vennootschap enerzijds en tussen de aandeelhouder en de vennootschap anderzijds verschilt essentieel. Bij het aandeelhouderschap is sprake van een lidmaatschapsverhouding. Bij winstbewijzen is de heersende opvatting in de literatuur dat sprake is van schuldvorderingspapieren en dat sprake is van een contractuele verhouding.3 Zij kunnen op naam, aan order of toonder luiden. De wet noemt winstbewijzen als zodanig niet. Aan houders van winstbewijzen komt geen stemrecht toe.
Anders dan bij de houder van een participatiebewijs, neemt de houder van een winstbewijs geen deel in het kapitaal van de vennootschap.4 Tegenover de uitgifte van het winstbewijs staat geen verplichting tot storting of inbreng, zoals dat bij – bijvoorbeeld – de aandeelhouder en de houder van een participatiebewijs wel het geval is. Hoewel de houder van een winstbewijs, gelijk de stemrechtloze aandeelhouder, geen stemrecht heeft en aan zijn rechten niet zomaar afbreuk kan worden gedaan,5verschaft hij echter geen kapitaal. Naar mijn mening kwalificeert het oprichters- en winstbewijs bij gebrek aan verplichting tot storting of inbreng niet als een rechtsfiguur zonder stemrecht. De houder van dergelijke bewijzen is daarom niet een kapitaalverschaffer zonder stemrecht. Het verschil in lidmaatschapsverhouding enerzijds en contractuele verhouding anderzijds acht ik in het kader van deze kwalificatie minder van belang.