Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/3.7.13
3.7.13 Participatiebewijzen
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS384083:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreid over het participatiebewijs: Blanco Fernández & Schwarz 1992, p. 287 e.v. en Prinsen 2004, p. 127-137.
In dat kader is onder het oude recht betoogd dat het op contractuele wijze creëren van stemrechtloze aandelen door het uitgeven van participatiebewijzen met als doel het aan aandelen dwingendrechtelijke verbonden stemrecht te omzeilen nietig in de zin van art. 3:40 lid 1 BW is, zie Blanco Fernández & Schwarz 1992, p. 288. Eisma 1991, p. 37, is van mening dat geen sprake is van nietigheid. Hij stelt dat het participatiebewijs zo kan worden ingericht dat in materiële zin sprake is van een stemrechtloos aandeel. Gelet op de introductie van het stemrechtloze aandeel in de flex-BV is deze discussie inmiddels achterhaald.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 233; Van Schilfgaarde & Winter 2009, p. 140; Slagter 2005, p. 279; Sanders & Westbroek 2005, p. 100, noot 4; Eisma 1991, p. 29 en Blanco Fernández & Schwarz 1992, p. 287.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 233; Sanders & Westbroek 2005, p. 100; Eisma 1991, p. 30, 31 en 37; Ten Berg 2007, p. 341; Bier 2008 (1), p. 175; Galavazi & Van Wilsum 1988, p.132, rechterkolom; Blanco Fernández & Schwarz 1992, p. 290 en Stokkermans 2008 (1), p. 26.
Van den Nieuwenhuijzen 2008, p. 23.
Prinsen 2004, p. 133 en reactie Simmons & Simmons, zie voetnoot 97 in hoofdstuk 2.
Participatiebewijzen1 worden tegen storting of inbreng verkregen en vertegenwoordigen kapitaal in de vennootschap. De houder van een participatiebewijs participeert in het eigen vermogen van de vennootschap. De storting of inbreng door de houder van het participatiebewijs wordt als (overige) reserve geboekt. Aan een participatiebewijs zijn soms alle rechten – gelijk een gewoon aandeel – verbonden, behalve het stemrecht.2 Dat hoeft echter niet. Ook het vergaderrecht kan de houder van een participatiebewijs, anders dan een aandeelhouder, worden onthouden. Houders van participatiebewijzen hebben aanspraak op een deel van de winst en/of het liquidatiesaldo.3 Participatiebewijzen hebben net als winstbewijzen een statutaire basis en een contractuele grondslag. Hoofdregel is immers dat de winst de aandeelhouders ten goede komt. Houders van participatiebewijzen zijn geen aandeelhouders, zodat de statuten er in moeten voorzien houders van participatiebewijzen een (recht op een) deel van de winst te doen toekomen. Die statutaire basis houdt evenwel niet in dat sprake zou zijn van een lidmaatschapsverhouding, zoals daarvan bij de aandeelhouder sprake is. Er is sprake van een andere verhouding. De invulling van het recht op (een deel van) de winst heeft een contractuele grondslag.4 Veelal zal op die rechtsverhouding Nederlands recht van toepassing zijn, gelet op het feit dat een BV een rechtspersoon naar Nederlands recht is, tenzij voor een ander toepasselijk recht wordt gekozen. Het gevolg van de toepassing van het Nederlandse recht en de contractuele verhouding is dat ook de bepalingen van Boek 6 BW, waaronder de redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 en 6:248 BW, van toepassing zijn. De vraag of de houder van een participatiebewijs ook als ‘betrokkene’ in de zin van art. 2:8 BW aan te merken is, behandel ik in paragraaf 7.4.
Vanuit economisch perspectief is het de vraag (i) of de waarde van een participatiebewijs gelijk opgaat met de waarde van een aandeel, en (ii) of de waarde van een participatiebewijs afhankelijk is van de waarde(ontwikkeling) van de vennootschap.5 In de regel zal op beide vragen het antwoord ontkennend zijn, omdat aan het participatiebewijs doorgaans een lager winstrecht en minder rechten verbonden zijn dan aan een aandeel. Ook de (on)voorwaardelijkheid van het winstrecht speelt daarbij een rol. Boekhoudkundig is er een verschil tussen het stemrechtloze aandeel en het statutaire winstrecht. De gerechtigdheid tot de winst van de houder van het statutaire winstrecht zal op de balans moeten worden vermeld. Die houder heeft voorrang op de aandeelhouder bij de uitkering van de winst, zodat er voor de aandeelhouder minder overblijft.6
Op het onderscheid tussen het stemrechtloze aandeel en het participatiebewijs kom ik in paragraaf 4.7 terug. Het participatiebewijs is naar mijn mening te beschouwen als een rechtsfiguur zonder stemrecht. De houder van een participatiebewijs is daarom te beschouwen als een kapitaalverschaffer zonder stemrecht.