Afspraken en Aanspraken
Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/3.3.2:3.3.2 De wilsvertrouwensleer van artikel 3:33 en 3:35 BW
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/3.3.2
3.3.2 De wilsvertrouwensleer van artikel 3:33 en 3:35 BW
Documentgegevens:
N. van Triet, datum 24-01-2023
- Datum
24-01-2023
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS686054:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 8.2.
Zie hierover hoofdstuk 9 en 10.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor het vertrouwen op aanwezigheid van een rechtshandeling wordt meestal de term ‘vertrouwenstheorie’ of ‘wilsvertrouwensleer’ gehanteerd.1 De wilsvertrouwensleer gaat over het vaststellen van de veronderstelde partijwil, meer specifiek de wil om een rechtshandeling aan te gaan.2
Titel 3.2 van het Burgerlijk Wetboek regelt onder andere de totstandkoming en aantastbaarheid van rechtshandelingen. Op grond van artikel 3:33 BW vereist een rechtshandeling een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard.3 Bij een discrepantie tussen de verklaring en de wil, kan op grond van artikel 3:35 BW degene die verklaarde geen beroep doen op het ontbreken van zijn bindingswil indien ‘eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking’. Bij de beoordeling of het vertrouwen dat de verklaring overeenstemt met de wil van degene die de verklaring heeft gegeven gerechtvaardigd is, zijn alle omstandigheden van het geval van belang.4
Zoals ik in paragaaf 8.2 behandel, moet een burger bij de civiele rechter aantonen wanneer welke uitlating aan hem en door wie is gedaan om te bewijzen dat bij hem gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat een rechtshandeling tot stand is gekomen waaraan de overheid is gebonden. Voor bevoegdhedenovereenkomsten geldt dat de verplichtingen over en weer in het algemeen schriftelijk worden vastgelegd. Geschillen over vertrouwen op de aanwezigheid van een rechtshandeling ontstaan vooral bij eenzijdige overheidstoezeggingen, nu die in tegenstelling tot bevoegdhedenovereenkomsten meestal niet de weg naar het geschreven woord weten te vinden. Bij nadere beoordeling kan blijken dat geen sprake is van een verbintenisscheppende rechtshandeling van de zijde van de overheid in de vorm van een definitief ingenomen standpunt, maar slechts van niet bindende overheidsuitlatingen.5
Indien blijkt dat sprake is van een onbevoegd verrichte rechtshandeling of een niet tot stand gekomen rechtshandeling wegens afwezigheid van het oogmerk te binden, zijn er voor een teleurgestelde burger nagenoeg geen mogelijkheden om juridisch verhaal te halen. In dat geval bestaat voor hem noch een recht op nakoming, noch een mogelijkheid tot het verkrijgen van schadevergoeding. Het enige dat mogelijk resteert voor een burger is om de overheid aansprakelijk te stellen op grond van het onrechtmatig wekken van vertrouwen.6