Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/4.6.2.1
4.6.2.1 Het pleitbare standpunt als verweer tegen het bewijs van de voor omkering van de bewijslast benodigde schuld
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS568706:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 21 juli 1987, BNB 1987/272, r.o. 5.1. en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Moltmaker. A-G Moltmaker stelde in r.o. 4.4. dat het standpunt zodanig verdedigbaar was dat er voor de omkering van de bewijslast geen plaats was.
Hof Amsterdam17 februari 1994, r.o. 4.2, gepubliceerd bij HR 14 juni 1995, BNB 1995/235, r.o. 4.2; Hof Amsterdam 20 augustus 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AJ6870, r.o. 5.17.
R.J. Koopman, Bewijs in belastingzaken, Deventer: Kluwer 1996, p. 146-147; C.P.M. van Houte, ‘De vereiste aangifte; enige aspecten’ TFB 2003/2, p. 29-31.
HR 30 oktober 2009, BNB 2010/49, ECLI:NL:HR:2010:BK1488, r.o. 3.1.2.
Dit is op te maken uit r.o. 3.1.2: “Hierin ligt besloten het oordeel dat belanghebbendes toenmalige standpunt in die mate verdedigbaar was, dat zij redelijkerwijs kon menen juist te handelen door in overeenstemming daarmee haar aangiften te doen, en dat belanghebbende toen derhalve niet wist of zich ervan bewust moest zijn dat zij in die aangiften te weinig loonheffing verantwoordde (…); daaruit volgt dat niet kan worden gezegd dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan.”
In het vorige hoofdstuk, in paragraaf 3.8.2.2, is in verband met de voor omkering van de bewijslast benodigde schuld onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin geen aangifte is gedaan en de situatie waarin een ontoereikende aangifte is gedaan.
De belastingkamer van de Hoge Raad heeft zich nog niet uitgelaten over het pleitbaar standpunt verweer in de situatie waarin de belastingplichtige door geen aangifte te doen heeft nagelaten om de vereiste aangifte te doen. In de zojuist genoemde paragraaf 3.8.2.2 is uiteengezet waarom ik in deze situatie geen ruimte zie voor een pleitbaar standpunt verweer.
De belastingkamer van de Hoge Raad heeft wel geoordeeld over het pleitbaar standpunt verweer in de situatie waarin de belastingplichtige een ontoereikende aangifte heeft gedaan. In eerste instantie, enkele jaren na het eerste pleitbaar standpunt arrest, lijkt de belastingkamer geen belang te hebben gehecht aan de omstandigheid dat aan een ontoereikende aangifte een pleitbaar standpunt ten grondslag heeft gelegen.1 Toch zijn halverwege de jaren ’90 van de vorige eeuw uitspraken van de rechter in feitelijke instantie verschenen waarin het pleitbare standpunt wel van invloed is op de vraag of de vereiste aangifte is gedaan.2 Ook in de literatuur is verdedigd dat een pleitbaar standpunt de omkering en verzwaring van de bewijslast in de weg staat.3
De belastingkamer van de Hoge Raad heeft in 2009 ingestemd met de beslissing van de rechter in feitelijke instantie dat een belastingplichtige niet heeft nagelaten om de vereiste aangifte te doen, als de aangifte als gevolg van een pleitbaar standpunt onjuist is.4 Bij een pleitbaar standpunt is de aangifte derhalve weliswaar onjuist, maar kan toch de vereiste aangifte zijn gedaan omdat de voor de omkering van de bewijslast benodigde schuld ontbreekt.5 In deze zaak had het hof overwogen dat het voor de beslissing niet uitmaakte dat de belastingplichtige wist dat er gerede twijfel bestond over de objectieve juistheid van het standpunt. Het pleitbare standpunt lijkt daarom ook bij de vaststelling van de voor omkering van de bewijslast benodigde schuld objectieve werking te hebben.6