Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/8.6.5
8.6.5 Duits recht
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS593833:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het gaat om het Aktiengesellschaft (equivalent van de NV), zie § 84 lid 1 jo § 112 AktG, en om het Gesellschaft mit beschränkter Haftung (equivalent van een BV) met ten minste 500 werknemers.
Zie § 112 AktG, dat in § 52 lid 1 GmbHG van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op de GmbH met een Aufsichtsrat.
Vgl. voor het Nederlandse arbeidsrecht HR 15 februari 1980, NJ 1980/328 (Gelderse Tramweg Maatschappij); bevestigd in HR 14 december 1984, RvdW 1985/4 (Citibank/Croes), r.o. 3.5 en HR 27 april 2001, NJ 2001/421 (De Lange/Wennekes Lederwaren), r.o. 3.4: voor het antwoord op de vraag of een ontslag op staande voet al dan niet onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden tot dat ontslag ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen.
272. Duits recht kan ten aanzien van de toerekening van kennis van de rvc aan de rechtspersoon slechts beperkt inspiratie bieden. Er wordt in Duitsland weinig over dit onderwerp geschreven, met uitzondering van de toerekening van kennis van commissarissen aan de vennootschap in het kader van § 626 lid 2 BGB. Dit wetsartikel schept de mogelijkheid om een dienstverband op gewichtige gronden met onmiddellijke ingang op te zeggen. De bevoegdheid om het dienstverband tussen de vennootschap en een bestuurder op te zeggen komt bij twee soorten vennootschappen toe aan de Aufsichtsrat, een equivalent van de rvc.1 De rvc vertegenwoordigt daarbij de vennootschap.2 Onmiddellijke opzegging dient te geschieden binnen twee weken nadat het tot opzegging bevoegde orgaan kennis heeft gekregen van het feit dat grond geeft voor ontslag.3 Vanwege deze korte termijn hebben Duitse gerechten de neiging de criteria zo te hanteren dat de rechtspersoon een redelijke tijdsspanne wordt gegund voor overleg en besluitvorming. De vennootschap wordt pas geacht kennis te hebben verkregen van het relevante feit, wanneer dat feit binnen de rvc is besproken in een ordelijk bijeengeroepen vergadering. Het volstaat dus niet dat een of enkele commissarissen het relevante feit kennen.4 Wordt een dergelijke vergadering echter niet met voldoende voortvarendheid bijeengeroepen nadat een of meer commissarissen de aanleiding voor het ontslag hebben ontdekt, dan gaat de termijn van twee weken lopen vanaf de dag dat de vergadering van de rvc in de samenstelling en met het aantal commissarissen dat minimaal nodig is om besluiten te kunnen nemen, zou hebben plaatsgevonden indien die wel voortvarend en met inachtneming van de voor oproeping geldende regels bijeen zou zijn gekomen.5
273. Deze rechtspraak heeft maar beperkte relevantie voor de extern werkende besluiten die in par. 8.6.2 staan opgesomd. Die betreffen namelijk alleen situaties waarin relevant is welke kennis de rvc droeg op het moment dat hij (in een correct bijeengeroepen vergadering) het extern werkende besluit nam, en geen situaties waarin een termijn gaat lopen op het moment dat de kennis wordt verkregen. Wel relevant voor de Nederlandse standaardsituatie is dat ook in het Duitse recht van individuele commissarissen wordt verwacht dat zij onderling kennis uitwisselen – in het geval van § 626 lid 2 BGB: opdat een vergadering bijeen wordt geroepen. Dat het in het Duitse recht niet volstaat indien één commissaris de relevante kennis heeft, maar in plaats daarvan de rvc in vergadering kennis moet hebben genomen van het relevante feit, hangt nauw samen met de korte termijn van twee weken. Ik heb niet de indruk dat ditzelfde zou gelden voor andere situaties waarin de rvc de rechtspersoon vertegenwoordigt, maar daarover heb ik in de Duitse rechtsliteratuur niets gevonden.