Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.6.2:4.6.2 Deze visie toegepast op in het verleden gewezen arresten
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.6.2
4.6.2 Deze visie toegepast op in het verleden gewezen arresten
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS481897:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 3, par. 3.3.
HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO3644 (Havenkraanarrest).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat betekent het volgen van deze visie voor in het verleden gewezen arresten? De vraag of de portacabin uit het Portacabinarrest (die zich rechtstreeks op de grond bevond) onroerend is, dient dan te worden beantwoord aan de hand van art. 3:3 j° 5:20 BW. En de vraag naar hoe de apparatuur in een gebouw moet worden gekwalificeerd (welke vraag zowel speelde in het arrest Dépex/Curatoren als in de onderhavige zaak betreffende de warmtekrachtkoppelingsinstallatie) moet dan worden beantwoord aan de hand van art. 3:4 j° 5:3 BW. De uitkomst en de wijze van procederen zou in het Portacabinarrest resp. het arrest Dépex/Curatoren in deze visie hetzelfde blijven. Voor de warmtekrachtkoppelingsinstallatie zou het echter betekenen dat – in tegenstelling tot hetgeen is gebeurd – voor de vraag of de warmtekrachtkoppelingsinstallatie een bestanddeel is van het kassencomplex waarin deze geplaatst was, gekeken had moeten worden of het op grond van art. 3:4 BW een bestanddeel was van het kassencomplex. Een bevestigend antwoord zou natrekking op grond van art. 5:3 BW tot gevolg hebben. De uitkomst in het WKK-arrest arrest zou met het volgen van deze nieuwe visie hoogstwaarschijnlijk geheel anders zijn geweest. Nu de warmtekrachtkoppelingsinstallatie enkel met bouten in de vloer vast gezet was, zal deze geen bestanddeel van het kassencomplex zijn op grond van art. 3:4 lid 2 BW. En ook de toets van bestanddeelvorming naar verkeersopvatting (3:4 lid 1 BW) zal deze niet doorstaan. Ter invulling van de verkeersopvatting van 3:4 lid 1 BW gelden immers de aanwijzingen zoals geformuleerd in het arrest Dépex/Curatoren, namelijk: (1) de vraag of het gebouw en de apparatuur in constructief opzicht op elkaar zijn afgestemd; en (2) de vraag of het gebouw uit een oogpunt van geschiktheid als fabrieksgebouw zonder de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd. Deze aanwijzingen zullen waarschijnlijk niet tot de conclusie leiden dat de warmtekrachtkoppelingsinstallatie naar verkeersopvatting een bestanddeel is van het kassencomplex. Daarbij is de warmtekrachtkoppelingsinstallatie dienstbaar aan het productieproces dat uitgeoefend wordt in het gebouw (te weten een kassencomplex) en niet aan het gebouw sec, zoals bijvoorbeeld een zonnepaneel.1 Omdat de warmtekrachtkoppelingsinstallatie niet in directe verbinding stond met de grond, staat de weg van art. 3:3 j° 5:20 BW niet open.
Er zijn ook arresten te noemen waarbij de uitkomst wellicht niet anders was geweest met het volgen van deze visie op 3:3 en 3:4 BW, maar wel anders geprocedeerd had dienen te worden, zoals het Havenkraanarrest.2 In het Havenkraanarrest stond de vraag centraal of twee havenkranen, die in de Rotterdamse haven gebruikt werd om zeeschepen te laden en te lossen, moesten worden gekwalificeerd als onroerende zaken. De havenkranen waren geplaatst op een rail en konden heen en weer bewegen over een afstand van maximaal 600 tot 800 meter. De Hoge Raad bepaalde in dit arrest (kort gezegd) dat, hoewel de havenkranen heen en weer konden bewegen op een rail, ze wel bestemd waren om duurzaam ter plaatse te blijven en daarmee moesten worden gekwalificeerd als onroerende zaak.
In de hier bepleite, nieuwe visie, zou de vraag of de havenkranen onroerend zijn niet beantwoord dienen te worden aan de hand van art. 3:3 lid 1 BW. De havenkranen stonden immers (in tegenstelling tot de rail) niet in een rechtstreekse verbinding met de grond. Voor een antwoord op de vraag of de havenkranen onroerend zijn, zal in dit geval eerst de vraag gesteld te worden of de rail een onroerende zaak is. De vervolgvraag zou dan zijn, of de havenkraan en de rail op basis van art. 3:4 BW één zaak vormen. Nu de rail bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, zal deze gelden als duurzaam verenigd met de grond in de zin van art. 3:3 BW, zodat de rail een onroerende zaak is. Vervolgens dient de vraag gesteld te worden of de havenkraan en de rail tezamen één zaak vormen. Hiervoor gebruikt men art. 3:4 BW. Nu lid 2 niet van toepassing is, zal deze vraag naar verkeersopvatting beantwoord dienen te worden. Naar verkeersopvatting zouden de havenkranen en de rail gezien worden als één zaak. Zonder de rail kan de havenkraan zich niet voortbewegen. Voor de vraag wat in de verhouding rail/havenkraan de hoofdzaak is, geldt dat nu de rail een onroerende zaak is en nagetrokken wordt door de grond, en de grond altijd hoofdzaak is, de rail in de verhouding met de havenkraan de hoofdzaak is. Toepassing van de nieuwe visie zou derhalve de uitkomst in het Havenkraanarrest niet veranderen: de havenkranen worden nagetrokken, enkel de weg die leidt tot deze conclusie is anders.
Stel nu dat de portacabin uit het Portacabinarrest niet direct op de grond stond, maar geplaatst was op een betonnen plateau dat diende ter fundering van de portacabin. Naar welk wetsartikel dient men dan te kijken? De portacabin stond in dat geval niet in rechtstreekse verbinding met de grond. Ook in dit geval (zoals tevens in de casus van het Havenkraanarrest) geldt dat er sprake is van een tweetrapssituatie: eerst dient gekeken te worden naar het betonnen plateau; of dit een onroerende zaak is. Vervolgens naar de verbinding tussen de portacabin en het plateau.
Ervan uitgaande dat het plateau bestemd is duurzaam ter plaatse te blijven, zal het plateau een werk zijn dat bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, zodat het duurzaam verenigd is met de grond in de zin van art. 3:3 lid 1 BW, zodat het een onroerende zaak is. De vervolgvraag is of de portacabin en het plateau tezamen één zaak vormen op grond van art. 3:4 BW. Het betreft immers een natrekkingsvraagstuk waarbij geen van beide zaken de grond is. Ervan uitgaande dat de portacabin niet zodanig verenigd is met het plateau dat er sprake is van bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 lid 2 BW, zal gekeken moeten worden of de portacabin en het plateau naar verkeersopvatting tezamen één zaak vormen. Nu ook bij d e portacabin en het plateau sprake is van een afhankelijkheidsrelatie (het plateau dient in dit geval immers ter fundering van de portacabin) dienen deze naar verkeersopvatting (3:4 lid 1 BW) als één zaak aangemerkt te worden. Hierdoor wordt de portacabin (als bestanddeel) omvat door het onroerende karakter van de hoofdzaak (de grond en het plateau).