De huur van ongebouwde onroerende zaken: een leemte in de wet
Einde inhoudsopgave
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/2.2:2.2 Huurwetgeving voor 1951
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/2.2
2.2 Huurwetgeving voor 1951
Documentgegevens:
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar, datum 26-04-2016
- Datum
26-04-2016
- Auteur
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar
- JCDI
JCDI:ADS375208:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Bijzondere onderwerpen
Huurrecht / Verplichtingen huurder en verhuurder
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Abas, Rueb & Brunner 5-II 1990, p. 20.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1838 is het Burgerlijk Wetboek in werking getreden, ter vervanging van de sinds 1811 geldende Code Civil. De zevende titel van het derde boek is gewijd aan ‘huur en verhuur’. Deze titel bevat een zestal afdelingen. De eerste afdeling bevat de algemene bepalingen, die beperkt zijn tot de begripsbepalingen. In artikel 1583 BW (oud) wordt de huurovereenkomst onderverdeeld in de huur van diensten, werk en nijverheid enerzijds en de huur van goederen anderzijds. De tweede afdeling, bestaande uit artikel 1586-1616 BW (oud), bevat bepalingen voor de huur van huizen en landen; de derde en vierde afdeling zijn achtereenvolgens gewijd aan de huur van huizen en huisraad en aan de huur van landerijen (landbouwgronden). De vijfde en zesde afdeling gelden voor de huur van dienstboden en werklieden en aanneming van werk. De vijfde en zesde afdeling worden in 1907 uit de zevende titel gehaald; de huur van landerijen (pacht) heeft in 1937 een eigen plaats in de Pachtwet gekregen. Op de huur van ongebouwd onroerend goed zijn dus de bepalingen van de eerste en tweede afdeling van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. Aangenomen wordt namelijk dat de eerste en tweede afdeling op alle huurovereenkomsten van toepassing zijn, tenzij uit de bepalingen zelf iets anders volgt, ondanks dat het opschrift van de tweede afdeling tot een andere conclusie zou kunnen leiden.1 De bepalingen uit de tweede afdeling zijn gehandhaafd tot 1 augustus 2003, toen titel 7.4 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek werd ingevoerd. In 1992 is de term ‘goederen’ in het opschrift van de tweede afdeling gewijzigd naar ‘zaken’. Deze bepalingen worden ook wel aangeduid als ‘algemene bepalingen’.
In verband met krapte op de woningmarkt zijn in de jaren ’20 van de twintigste eeuw een aantal wettelijke regelingen ingevoerd die de huurder van woonruimte tegen de – als gevolg van de schaarste machtigere – verhuurder beschermen. De regelingen omvatten huurprijs- en ontruimingsbescherming. Aan het einde van de jaren ’20 zijn deze regelingen weer afgeschaft, waarna tijdens de Tweede Wereldoorlog, op welk moment wederom sprake is van schaarste op de woningmarkt, soortgelijke regelingen weer zijn ingevoerd.
De woningnood die na de Tweede Wereldoorlog ontstaat, noopt de wetgever tot het invoeren van nieuwe beschermingsmaatregelen voor huurders. Deze beschermingsmaatregelen beperken zich, anders dan die in de jaren ’20 en tijdens de Tweede Wereldoorlog, niet tot de huur van woonruimte. De maatregelen zijn opgenomen in de Huurwet die in 1951 in werking is getreden.