De huur van ongebouwde onroerende zaken: een leemte in de wet
Einde inhoudsopgave
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/2.8:2.8 Titel 7.4 NBW
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/2.8
2.8 Titel 7.4 NBW
Documentgegevens:
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar, datum 26-04-2016
- Datum
26-04-2016
- Auteur
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar
- JCDI
JCDI:ADS374044:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Bijzondere onderwerpen
Huurrecht / Verplichtingen huurder en verhuurder
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op 1 augustus 2003 is titel 7.4 (Huur) BW in werking getreden.1
Ondanks dat in de Tweede Kamer medio jaren ’90 uitdrukkelijk is gesproken over de wens om exploitanten van benzinestations die slechts de ongebouwde ondergrond huren, beter te beschermen, is dit onderwerp bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel niet meer besproken. Slechts op één punt is voorgesteld om de huurder van ongebouwd onroerend goed enigszins te beschermen. Dit betreft de ‘koop breekt geen huur’-regel zoals die is opgenomen in artikel 7:226 BW. In een artikel dat begin 1995 is gepubliceerd in Rechtsgeleerd Magazijn Themis stelt Adriaansens voor om de regeling van dwingend recht te maken.2 Daarbij maakt hij geen onderscheid voor verschillende huurregimes. In de memorie van toelichting is aangegeven dat er geen reden is om deze bepaling van dwingend recht te maken voor roerende zaken of voor onbebouwde grond. Daarbij wordt aangegeven:3
‘Waarom zou iemand niet tegen betaling een stuk grond als opslagterrein mogen gebruiken tot het tijdstip dat de eigenaar een koper heeft gevonden en het aan deze overdraagt?’
In het verslag worden hierop de volgende vragen gesteld:4
‘Kan deze vraag niet ook met betrekking tot gebouwde onroerende zaken worden gesteld? Waarom zou iemand niet tegen betaling een gebouw als opslagplaats mogen gebruiken tot het tijdstip dat de eigenaar een koper heeft gevonden en het aan deze overdraagt?
Kan de regering aangeven of het niet van dwingend recht doen zijn van deze bepaling voor de huur van onbebouwde onroerende zaken (ongewenste) consequenties kan hebben voor ondernemers die uitsluitend grond huren (te denken valt aan tankstations)?’
In de nota beantwoorden de minister en staatssecretaris deze vragen door aan te geven dat het dwingend maken van artikel 7:226 BW voor gebouwd onroerend goed ingegeven is door het feit dat voor deze zaken een dwingendrechtelijk regime geldt dat niet door overdracht van de zaak moet kunnen worden ontdoken. Nu voor de huur van ongebouwde onroerende zaken geen behoefte aan een dwingendrechtelijk regime zou bestaan, zou er ook geen reden zijn om artikel 7:226 BW voor deze zaken van dwingend recht te maken. Minister en staatssecretaris besluiten met de opmerking:5
‘Het is ons niet gebleken dat voor deze situatie een bijzondere regel nodig is.’
Over een eigen regeling voor huur van ongebouwde onroerende zaken, uitbreiding van het werkingsgebied van de bepalingen voor huurrecht bedrijfsruimte en/of de positie van exploitanten van motorbrandstoffenverkooppunten is bij de behandeling van wetsvoorstel 26089 verder in het geheel niet meer gesproken. Aan de vraag of er (inmiddels) in de praktijk behoefte is aan een dergelijke regeling en de vraag of en hoe aan de bij de behandeling van wetsvoorstel 24150 door verschillende partijen geuite bezwaren tegemoetgekomen zou kunnen worden, is geen enkele aandacht meer besteed. Of dit komt omdat men dit onderwerp vergeten is of dat men bang is voor een nieuwe, uitgebreide discussie die tot vertraging van de invoering van titel 7.4 NBW zou leiden, valt uit de parlementaire stukken niet af te leiden. Hoewel het begrijpelijk zou zijn dat men niet het risico wil nemen dat ook dit wetsvoorstel de eindstreep niet zal halen, zoals bij wetsvoorstel 24250 het geval was, meen ik dat die angst er niet aan in de weg zou mogen staan om de huur van ongebouwde onroerende zaken toch (weer) mee te nemen in dit wetsvoorstel. Juist een omvangrijke herziening zoals die van de invoering van titel 7.4 in het Burgerlijk Wetboek bood ruimte voor het opnemen van een nieuw regime of uitbreiding van het werkingsgebied van bestaande regimes. Dit geldt zeker nu de wetgever medio jaren ’90 al bekend was met de wens om voor in ieder geval huurders van benzineverkooppunten een regeling in het huurrecht op te nemen. Een gemiste kans voor de wetgever. Ik kom in hoofdstuk 7 van dit proefschrift tot de conclusie dat een aantal bepalingen van titel 7.4 BW (alsnog) moet worden aangepast om de positie van de huurder van een ongebouwde onroerende zaak te verbeteren.