De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.17.2.1:IV.17.2.1 Ratio onderscheid in het kader van intrekking
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.17.2.1
IV.17.2.1 Ratio onderscheid in het kader van intrekking
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS377671:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Duitse intrekkingsregeling in het VwVfG wordt onderscheid gemaakt tussen de intrekking van begunstigende en belastende beschikkingen. De reden daarvoor is dat bij de intrekking van begunstigende beschikkingen het vertrouwensbeginsel een rol speelt.1 Dit beginsel staat onder omstandigheden in de weg aan intrekking of leidt tot een compensatieverplichting jegens de betrokken burger. Een en ander blijkt uit § 48 lid 1 VwVfG. Op grond van die bepaling geldt als hoofdregel dat een onrechtmatige beschikking kan worden ingetrokken, zo nodig met terugwerkende kracht. Voor de intrekking van begunstigende beschikkingen, dient daarentegen te worden voldaan aan de voorwaarden van § 48 leden 2 en 3 VwVfG. Een korte blik op deze bepalingen leert dat op basis van het vertrouwensbeginsel in de in lid 2 genoemde gevallen van intrekking moet worden afgezien, dan wel bij de in lid 3 genoemde gevallen compensatie geboden moet worden indien de beschikking wordt ingetrokken. Deze regeling is terug te voeren op ontwikkelingen in de jurisprudentie van het Bundesverwaltungsgericht uit de jaren ’50. Voordien gold het principe van freie Rücknehmbarkeit. De gedachte was dat wanneer een beschikking onrechtmatig was, deze vanwege die onrechtmatigheid kon worden ingetrokken. In de jaren ’50 werd dit uitgangspunt genuanceerd. Het Bundesverwaltungsgericht oordeelde dat het vertrouwensbeginsel zich kan verzetten tegen de intrekking met terugwerkende kracht in gevallen waarin de begunstigde niet behoeft te twijfelen aan de juistheid van de beschikking. Wat betreft de intrekking ex nunc werd geoordeeld dat in de regel het algemeen belang van herstel van de rechtmatige situatie zwaarder weegt dan het belang van de begunstigde (bij instandhouding van de beschikking), zij het dat ook hier uitzonderingen mogelijk zijn.2 Het is deze jurisprudentie die ten grondslag ligt aan de huidige § 48 VwVfG, in welke bepaling het uitgangspunt is dat de bevoegdheid tot intrekking van een onrechtmatige beschikking een beleidsvrije bevoegdheid is.3