Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht
Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/5.6:5.6 Conclusie
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/5.6
5.6 Conclusie
Documentgegevens:
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS454448:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
146. Zoals uit paragraaf 5.2 is gebleken, houdt het specialiteitsbeginsel slechts in dat registergoederen bij beschikking daarover afzonderlijk moeten worden omschreven in de akte. Dat dit vereist is, hangt samen met ons systeem van publiciteit bij dat type goederen. Over het uniciteitsbeginsel kan het specialiteitsbeginsel ons dus niets leren; hooguit is het een aanwijzing dat telkens de afzonderlijke registergoederen centraal staan bij het beschikken daarover.
Ik heb betoogd dat in het Nederlandse recht het uniciteitsbeginsel geldt met betrekking tot hypotheken. Zijn meerdere goederen bezwaard tot zekerheid van dezelfde vordering, dan wil dat niet zeggen dat sprake is van één hypotheekrecht, maar bestaan er even zoveel hypotheken als bezwaarde goederen. Belangrijke argumenten daarvoor zijn dat de rang van het hypotheekrecht per object kan verschillen (art. 3:21 BW) en dat ook de executiebevoegdheid op de afzonderlijke belaste goederen ziet – en niet op die goederen tezamen. De constatering dat bij hypotheken het uniciteitsbeginsel geldt, is niet veelzeggend. Indien men van mening is dat wél één hypotheekrecht ontstaat bij bezwaring van meer dan één registergoed voor dezelfde vordering, dan vloeien daar geen andere rechtsgevolgen uit voort dan die zojuist door mij beschreven. Weliswaar gaf ik aan dat de visie op ‘gedeeltelijk royement’ verschilt al naar gelang men uitgaat van uniciteit of niet, maar dat leidt niet tot praktische consequenties.
In het Duitse recht gaf de terminologie van de Gesamthypothek aanleiding om deze figuur nader te onderzoeken. Het bleek dat onduidelijk is of het daarbij om één of meer hypotheekrechten op meer dan één goed gaat. Gezien het feit dat binnen de Gesamthypothek naar rang gedifferentieerd kan worden per bezwaard goed en ook de bevoegdheid tot verhaal per goed afzonderlijk bestaat, concludeerde ik dat de Gesamthypothek geen uitzondering op het uniciteitsbeginsel inhoudt. De Gesamthypothek is niet meer dan de situatie waarin meerdere objecten tot zekerheid van dezelfde vordering worden verhypothekeerd. De regeling van de Gesamthypothek houdt niet meer in dan de regels die in het Nederlandse recht uit de ondeelbaarheid van het hypotheekrecht worden afgeleid.
En juist de ondeelbaarheid is niet in strijd met het hanteren van het uniciteitsbeginsel bij hypotheken, ook al zou dat op het eerste gezicht misschien wel gedacht kunnen worden. Het bleek dat de ondeelbaarheid van pand en hypotheek in wezen helemaal niet gaat over de ondeelbaarheid van het pand- en hypotheekrecht, maar om de ongedeelde verhaalsaansprakelijkheid (Haftung). Het recht van erfdienstbaarheid is ook ondeelbaar, maar ook daar volgt uit de ondeelbaarheid geen direct antwoord op de vraag of wordt voldaan aan het uniciteitsbeginsel of niet.
Het specialiteitsbeginsel bij hypotheek en het principe van ondeelbaarheid bij pand, hypotheek en erfdienstbaarheid, geven ons dus geen direct antwoord op de vraag of bij die beperkte rechten het uniciteitsbeginsel al dan niet gevolgd wordt. Wel bleek bij het hypotheekrecht dat de bevoegdheden die uit dat recht voortvloeien, onder meer dankzij het principe van ondeelbaarheid, betrekking hebben op de afzonderlijke aan het hypotheekrecht onderworpen goederen. Het is dan voor de hand liggend om ook uit te gaan van het bestaan van afzonderlijke hypotheekrechten op die goederen. Uiteraard is vanwege de afhankelijkheid van het hypotheekrecht van de vordering wel een zekere samenhang tussen die hypotheekrechten te bespeuren; de hypotheekrechten zijn noodzakelijkerwijs in één hand. Maar dat neemt niet weg dat per object een afzonderlijke executiebevoegdheid bestaat. Er is geen reden om aan te nemen dat zich bij het hypotheekrecht een uitzondering op het uniciteitsbeginsel voordoet.