Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.2.6
3.4.2.6 Beperken van aansprakelijkheid bij de maatschap
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS383123:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook de recente uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4363, waar in r.o. 4.6 nog eens expliciet de mogelijkheid om een praktijkvennootschap ‘tussen te schuiven’ om aan persoonlijke aansprakelijkheidsstelling op grond van artikel 7:407 lid 2 BW te ontkomen, is aanvaard.
Bartmann 2013.
Zoals de NBA. Het Model Algemene Voorwaarden van de beroepsorganisatie voor accountants bevat een standaardclausule om de art. 7:404 en 7:407 lid 2 BW uitdrukkelijk buiten toepassing te verklaren.
HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881, NJ 2013/302, m.nt P. van Schilfgaarde (Villa Mundo).
HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, NJ 2015/21, Zie over dit arrest ook Raaijmakers 2014. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2745, JOR 2015/289, m.nt. Kortmann (Alasco Vastgoed).
Dit is uiteraard afhankelijk van de specifieke risico’s die per beroepsgroep worden gelopen en van de toetsing aan de zorgvuldigheidsnorm door de rechter (hoe streng?).
Zie hierover paragraaf 3.2.1 en 3.2.2.
Zie hierover paragraaf 3.5.2.
Uit hetgeen beschreven is in de vorige drie paragrafen blijkt dat beroepsbeoefenaren die samenwerken in een maatschap op de volgende vijf gronden (persoonlijk) aansprakelijk kunnen zijn:
bij een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis van de maatschap ieder voor gelijke delen op grond van artikel 7A:1679-1681 BW;
in geval van een overeenkomst van opdracht aangegaan met de maatschap: op grond van artikel 7:407 lid 2 BW hoofdelijk voor een tekortkoming in de nakoming van die overeenkomst van opdracht;
in geval van een opdracht verleend met het oog op een persoon; hoofdelijk naast de opdrachtnemer (artikel 7:404 BW);
als maat voor een door een van de maten gepleegde, aan de maatschap toe te rekenen onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW); of
als maat voor een door hem persoonlijk gepleegde (al dan niet aan de maatschap toerekenbare) onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).
De vraag is nu: in hoeverre vormen deze gronden voor aansprakelijkheid daadwerkelijk een risico voor beroepsbeoefenaren? Wat betreft de persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten op grond van artikel 7A:1679-1681 BW geldt dat deze kan worden beperkt door middel van het gebruik van praktijkvennootschap. Wanneer beroepsbeoefenaren een besloten vennootschap als vennoot in de maatschap laten participeren, wordt deze vennootschap aansprakelijk op bovenstaande grond en kan de derde dus alleen deze vennootschap en diens vermogen aanspreken. Dit vermogen kan door de beroepsbeoefenaar (zijnde enig aandeelhouder en bestuurder van de praktijkvennootschap) zo klein mogelijk worden gehouden en zo lang de beroepsbeoefenaar geen verplichtingen aangaat namens de vennootschap waarvan hij weet of behoort te begrijpen dat de vennootschap deze vanwege dit geringe vermogen niet zal kunnen nakomen, biedt een praktijkvennootschap een goede bescherming tegen persoonlijke aansprakelijkheid (op grond van artikel 7A:1679-1681 BW). Hetzelfde geldt voor de aansprakelijkheid op grond van artikel 7:407 lid 2 BW. Ook hier helpt het ‘tussenschuiven’ van een praktijkvennootschap om aan persoonlijke aansprakelijkheid te ontkomen.1 Dit geldt niet voor de aansprakelijkheid op grond van artikel 7:404 BW. Wat betreft de aansprakelijkheid op deze grond wordt door een praktijkvennootschap ‘heen geprikt’; de beroepsbeoefenaar met het oog op wie de opdracht is verleend, is persoonlijk, naast de maatschap als opdrachtgever, hoofdelijk aansprakelijk. Zoals gezegd, zijn de aansprakelijkheidsgronden van artikel 7:407 BW en artikel 7:404 BW uit te sluiten door middel van exoneratie, meestal in de vorm van algemene voorwaarden, maar in sommige gevallen ook per individueel contract.2 Hiervan wordt in de praktijk veelvuldig gebruikt gemaakt. Sommige beroepsorganisaties bevelen dit ‘wegschrijven’ zelfs aan.3 Het is dus mogelijk om ook de aansprakelijkheid op grond van artikel 7:404 BW te beperken, alhoewel het de vraag is in hoeverre deze algemene voorwaarden in de praktijk uiteindelijk daadwerkelijk bescherming bieden. Dit laatste zal nader aan de orde komen in paragraaf 3.5.1.
Wat betreft de aansprakelijkheid voor een door een medevennoot gepleegde onrechtmatige daad geldt dat ook hier het tussenschuiven van een praktijkvennootschap bescherming biedt. Voor de aansprakelijkheid voor een door een vennoot, in zijn hoedanigheid van beroepsbeoefenaar, persoonlijk gepleegde onrechtmatige daad geldt dit echter niet. Bij de maatschap is hiervoor geen beschermingsconstructie te vinden. De Hoge Raad bevestigde deze regel in het Villa Mundo-arrest4 en verduidelijkte deze in het arrest Tulip Air en meest recent in het Alasco Vastgoed-arrest.5 Een persoon is, volgens ook de Hoge Raad in deze arresten, in een dergelijk geval persoonlijk aansprakelijk wegens schending van een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting. Ditzelfde geldt overigens bij beroepsuitoefening in de kapitaalvennootschappen en de coöperatie (waarover meer in paragraaf 3.4.3.3).
De maatschap is van nature dus niet erg aansprakelijkheidsvriendelijk. De (kans op) persoonlijke aansprakelijkheid is – zonder vooraf maatregelen te treffen – in veel gevallen6 aanzienlijk voor beroepsbeoefenaren. Het door hen ervaren gevoel van ‘onveiligheid’ ten aanzien van de maatschap is dus zeker niet geheel gebaseerd op een ‘onderbuikgevoel’, maar wordt bevestigd door de in dit hoofdstuk beschreven theorie en de praktijk.7
Door middel van allerlei aanvullende maatregelen (het tussenschuiven van praktijkvennootschappen, het gebruik van algemene voorwaarden of het afsluiten van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering8), kan het ‘leed’ voor beroepsbeoefenaren wel worden verzacht. De beroepsbeoefenaar blijft echter in alle gevallen aansprakelijk voor persoonlijke fouten op grond van onrechtmatige daad. Hiervoor is geen beperking mogelijk. Het is de vraag of dergelijke (aanvullende) constructies ook nodig zijn bij de overige te bespreken rechtsvormen of dat deze van zichzelf al een vriendelijker karakter hebben ten aanzien van (beroeps)aansprakelijkheid. Daarover meer in paragraaf 3.4.3 en verder.