Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.2.0
6.2.0 Introductie
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS464375:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor eerdere pogingen de overwegingen van de OK te ontleden: Van der Vlis 1997, p. 227-230; Van Solinge 1998, p. 39 e.v.; Van Solinge in zijn noot in JOR 1999, 142 (onder Hof’s-Gravenhage 6 april 1999 (Verto)).
OK 30 juni 2003, ARO 2003, 116, r.o. 3.1.4 (Polyplus Holding). Zie voor een ander voorbeeld waarin aan de bestuurders verleende decharges zijn vernietigd omdat zij verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid: OK 30 december 2002, ARO 2003, 18 (Aesculaap Beheer).
Paragraaf 5.3.1.2 en 5.5.2 (tekstnummer 164).
OK 16 oktober 2003, ARO 2003, 169, r.o. 3.10 (Laurus).
179. In paragraaf 6.2.1 zal eerst een aantal beschikkingen de revue passeren teneinde een getrouw beeld te schetsen van de overwegingen die de Ondernemingskamer heeft gegeven aangaande de individuele verantwoordelijkheid van bestuurders en commissarissen voor het wanbeleid c.q. onjuiste beleid. In aansluiting hierop worden de desbetreffende overwegingen ontleed (paragraaf 6.2.2) en wordt bezien of de oordeelsvorming door de Ondernemingskamer overeenstemt met de ideeën van de minister tijdens de parlementaire behandeling (paragraaf 6.2.3) alsook in hoeverre wat dit betreft parallellen bestaan met de procedures op de voet van art. 2: 9 BW en art. 2: 138(248) BW (paragraaf 6.2.4).1 In paragraaf 6.2.5 sta ik ten slotte stil bij de vraag of de oordeelsvorming strookt met de opvattingen van de Hoge Raad en het EHRM in de procedure inzake Text Lite Holding.
Ik merk nog op dat de beschikkingen die worden belicht, betrekking hebben op vennootschappen die reeds failliet zijn verklaard of aan de vooravond van een faillissement staan. De keuze voor deze beschikkingen is ingegeven door het feit dat in de onderhavige procedures uitspraak is gedaan op verzoeken tot kostenverhaal en de beslissingen dienaangaande het meest uitgebreid zijn gemotiveerd. De interpretatiekwestie heeft uiteraard eveneens betekenis voor andere dan de hierna te behandelen zaken. De Ondernemingskamer heeft bijvoorbeeld in de procedure inzake Polyplus Holding overwogen dat ‘uit het vorenoverwogene onmiskenbaar [volgt] dat [S] als bestuurder, belast met de verantwoordelijkheid voor – onder meer – de f inanciële gang van zaken en de administratie, en als aandeelhouder grotendeels voor het wanbeleid in zijn diverse aspecten verantwoordelijk is te achten’ (waarna [S] is ontslagen en de hem verleende decharge is vernietigd)2, terwijl ook in enkele andere van de in hoofdstuk 5 behandelde procedures individuele verantwoordelijkheden zijn vastgesteld in het kader van de vraag welke voorzieningen getroffen moeten worden en of verzoeken tot kostenverhaal voor toewijzing in aanmerking komen.3 De analyse is eveneens van belang voor uitspraken waarin wordt geoordeeld dat het bestuur en/of de RvC (de organen derhalve) verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid. Zo oordeelt de Ondernemingskamer in de beschikking inzake Laurus dat ook al zou de RvC aanvankelijk het voordeel van de twijfel hebben mogen geven aan de hoofddirectie, ‘uiterlijk per eind maart 2001 het moment was aangebroken waarop een scherper toezicht had moeten worden uitgeoefend, en dat de [RvC] door zulks na te laten in zoverre medeverantwoordelijk is voor het geconstateerde wanbeleid.’4