Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/3.6.8
3.6.8 Kosten van vermogensbeheer
mr. drs. P. Laaper, datum 17-11-2015
- Datum
17-11-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS596395:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
AFMKosten pensioenfondsen verdienen meer aandacht 2011, p. 4; Bikker, Steenbeek & Toracchi 2010, p. 2; Bikker & De Dreu 2006, p. 2; De Dreu 2013, p. 22; LCP Netherlands 2012, p. 17.
LCP Netherlands 2012, p. 15.
Een belangrijke andere omstandigheid is de grootte van het fonds. Grotere fondsen kunnen schaalvoordelen benutten die voor kleinere fondsen onbereikbaar blijven. Zie AFM Vermogensbeheer- en transactiekosten pensioenfondsen in beeld 2015, p. 8 en 12; Bikker 2013; Van der Graaff & Koeleman 2008; Pensioenfederatie 2010, p. 20-21; De Dreu 2013, p. 37-41. Deze omstandigheid laat ik verder buiten beschouwing, omdat het fonds daar bij de vaststelling van het beleggingsbeleid geen invloed op kan uitoefenen.
LCP Netherlands 2012, p. 15.
Zo zijn de kosten van een passieve beleggingsstrategie lager dan die van een actieve strategie. Ook beleggen kleinere pensioenfondsen minder vaak in complexe beleggingscategorieën zoals private equity en vastgoed. Zulke beleggingscategorieën zijn niet alleen complexer, maar ook duurder (AFM Vermogensbeheer- en transactiekosten pensioenfondsen in beeld 2015, p. 9-10).
LCP 2011, p. 14. Dit onderzoek betreft de Britse vermogensbeheersector. Omdat vermogensbeheer een internationale markt is, zijn de conclusies voor de Nederlandse situatie waarschijnlijk niet wezenlijk anders.
LCP Netherlands 2012, p. 15. Eerder wees ik er al op dat er veel aanwijzingen zijn dat actief vermogensbeheer zelden tot nooit structureel betere resultaten leidt ten opzichte van passief vermogensbeheer (Van Setten 2009, nr. 4.43., zie voetnoot 295).
Van Setten 2009, nr. 4.43. (zie voetnoot 295.)
LCP 2011, p. 14.
AFM Vermogensbeheer- en transactiekosten pensioenfondsen in beeld 2015, p. 9 en 13; DNB Nieuwsbrief pensioenen mei 2014.
In de beleggingstheorie wordt geabstraheerd van de kosten die het vermogensbeheer mee brengt. Er wordt enkel gekeken naar risico en rendement. In werkelijkheid zijn kosten van groot belang. Een structurele kostenbesparing van 1 procentpunt, geeft over een periode van 40 jaar pensioenen die circa 30% hoger zijn.1
Er zijn sterke aanwijzingen dat er aanmerkelijke kostenbesparingen mogelijk zijn. De kosten van vermogensbeheer bedragen voor pensioenfondsen gemiddeld 0,38% van het belegd vermogen. De kostenniveaus variëren echter sterk, van 0,08% tot 1,00% van het belegd vermogen.2 Deze verschillen worden gedeeltelijk3 verklaard door de gekozen beleggingsstrategie. Met name kleinere fondsen hanteren relatief vaak minder complexe beleggingsstrategieën.4 Daaraan zijn direct lagere kosten verbonden.5 In werkelijkheid is het kostenverschil nog groter, omdat complexere strategieën ook tot meer adviesvragen en (interne) toezichtsinspanningen leiden.6 Het is echter onduidelijk of de hogere kosten van sommige pensioenfondsen zich vertalen in hogere rendementen.7
Om de kosten te beperken kunnen pensioenfondsen overwegen om een goedkopere beleggingsstrategie aan te nemen. Een fonds kan er bijvoorbeeld voor kiezen om complexe beleggingsproducten uit te sluiten. Dat beperkt de benodigde advieskosten. Een fonds kan er ook voor kiezen om in beginsel passief te beleggen. Er is immers nauwelijks bewijs dat actief beheer tot betere resultaten leidt.8 Een actieve beleggingsstijl, met haar bijbehorende kosten, kan dan beperkt blijven tot die markten waar een passieve strategie niet mogelijk is (zoals de vastgoedmarkt) of waar een actieve strategie zinvoller is (bijvoorbeeld om “downside risico” te beheersen).9
Minimalisatie van kosten is natuurlijk geen doel op zich. Andere factoren die van belang zijn bij het bepalen van de beleggingsstrategie zijn het verwachte rendement, de beheersing van risico’s en de beschikbare deskundigheid.10