Einde inhoudsopgave
Het legaliteitsbeginsel en de doorwerking van Europees recht (Meijers-reeks) 2016/4.4.3
4.4.3 Verordeningen als bron van strafrechtelijke aansprakelijkheid?
J.G.H. Altena, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
J.G.H. Altena
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 12 september 1989, 68/88, ECLI:EU:C:1989:339 (Griekse mais), r.o. 24.
Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht.
HvJ EG 10 oktober 1973, 34/73, ECLI:EU:C:1973:101 (Variola), r.o. 10-11.
Satzger 2012a, p. 85-86.
Bijvoorbeeld art. 47 van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels; art. 16 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten.
Art. 2 Verordening (EG) 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden.
HvJ EG 7 januari 2004, C-60/02, ECLI:EU:C:2004:10 (Rolex), r.o. 62.
Dougan 2012, p. 118-120. In diezelfde zin Klip 2016, p. 197-198; Peristeridou 2015, p. 181.
In die zin ook Miettinen 2013a, p. 87. Die redenering wordt bevestigd door het latere Aurubis Balgaria-arrest, waarin het Hof eerst vaststelt dat de douaneverordening de vaststelling van sancties overlaat aan de lidstaten. Op basis van die vaststelling concludeert het Hof dat het legaliteitsbeginsel zich ertegen verzet dat een lidstaat een gedraging bestraft zonder dat de nationale wetgeving voorziet in een sanctie. Zie HvJ EU 31 maart 2011, C-546/09, ECLI:EU:C:2011:199 (Aurubis Balgaria), r.o. 40-43.
HvJ EU 8 september 2015, C-105/14, ECLI:EU:C:2015:555 (Taricco).
Omwille van de – toch al ver te zoeken – eenvoud beperk ik mij in dit schema tot misdrijven. Ook zijn de wetteksten waar mogelijk ingekort.
Satzger 2012a, p. 86.
Satzger 2012a, p. 86-87; uitgebreider Satzger 2001 p. 213-290.
Zie niettemin de relativerende opmerking over het onderscheid tussen de Europese en Nederlandse wetgever in paragraaf 1.2.
Wie op zoek is naar rechtstreeks toepasselijke bepalingen in het Europees recht, maakt meer kans op succes wanneer wordt gezocht naar rechtstreeks toepasselijke verordeningen. Verordeningen kunnen immers, in tegenstelling tot richtlijnen, verplichtingen in het leven roepen voor individuen. Zij mogen niet worden omgezet in nationaal recht. Een verordening kan wel nopen tot uitvoeringsmaatregelen op nationaal niveau, en dat is tot nu toe bij alle verordeningen die strafrechtelijk worden gehandhaafd het geval. Veel verordeningen bepalen dat lidstaten sancties moeten stellen op het handelen in strijd met onderdelen van de verordening. Lidstaten worden dan geacht inbreuken op het Europees recht onder dezelfde voorwaarden te bestraffen als vergelijkbare overtredingen in het nationale recht.1 Deze verplichting, ook wel het assimilatiebeginsel genoemd, kan ertoe leiden dat de ene lidstaat gedwongen is een verordening strafrechtelijk te handhaven, terwijl een andere lidstaat ook voor bestuursrechtelijke handhaving kan kiezen. Op grond van artikel 83vweu is het aangewezen instrument voor harmonisatie van materieel strafrecht de richtlijn. Een enkele keer wordt daarom strafrechtelijke handhaving van een verordening verplicht middels een richtlijn, bijvoorbeeld de Richtlijn inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht.2 Daarin zijn delictsomschrijvingen opgenomen alsmede de verplichting deze gedragingen naar nationaal recht strafbaar te stellen. De verordeningen die op dit moment strafrechtelijk worden gehandhaafd, worden dat ofwel omdat een richtlijn dat voorschrijft, ofwel omdat het assimilatiebeginsel in een lidstaat tot de keuze voor strafrechtelijke handhaving leidt.
Het is niet toegestaan de bepalingen van een verordening over te nemen in het nationale recht.3 Om een verordening strafrechtelijk te kunnen handhaven, zal het nationale recht voor de gedragsomschrijving moeten verwijzen naar het Europees recht.4 Tegelijkertijd bevat die verordening geen strafbaarstelling en geen sanctienorm: over de aard en hoogte van de sanctie wordt in verordeningen uitsluitend geregeld dat deze ‘doeltreffend, evenredig en afschrikkend’ moeten zijn.5 De strafbaarstelling en sanctienorm moeten derhalve wel in het nationale recht worden opgenomen.
Het is de vraag of verordeningen, indien zij wel een strafbaarstelling en een sanctienorm zouden bevatten, wel rechtstreeks toepasbaar zouden kunnen zijn als strafbepaling. In het Rolex-arrest heeft het Hof van Justitie de rechtspraak over de beperkte werking van richtlijnen in het strafrecht analoog toegepast op verordeningen. De zaak gaat over de doorvoer van nagemaakte Rolex-horloges, goederen die inbreuk maken op het intellectuele-eigendomsrecht. De in- en uitvoer van dergelijke goederen is een strafbaar feit naar Oostenrijks recht, maar de verwijzende rechter twijfelt over de doorvoer –terwijl doorvoer in de verordening wel als verboden gedraging is aangemerkt.6 Het Hof herinnert aan de beperkingen in het strafrecht van de plicht tot conforme interpretatie die zijn geformuleerd ten aanzien van de doorwerking van richtlijnen, en vervolgt:
‘Hoewel de communautaire regeling die in de hoofdzaak aan de orde is, een verordening is, een norm derhalve die naar haar aard niet noopt tot nationale omzettingsmaatregelen, en geen richtlijn, dient te worden opgemerkt dat artikel 11 van verordening nr. 3295/94 de lidstaten de bevoegdheid geeft om sancties vast te stellen voor inbreuken op de bij artikel 2 van deze verordening verboden gedragingen, waardoor de door het Hof ten aanzien van richtlijnen gevolgde redenering op die zaak kan worden toegepast.’7
Dougan concludeert uit dit arrest dat verordeningen nooit rechtstreeks tot strafrechtelijke aansprakelijkheid kunnen leiden.8 Het Hof past immers de redenering ten aanzien van richtlijnen, inhoudende dat deze niet zonder omzetting kunnen leiden tot strafrechtelijke aansprakelijkheid, toe op verordeningen.
Die algemene gevolgtrekking acht ik echter niet gerechtvaardigd. Uit de opmerking dat de verordening de bevoegdheid tot het stellen van sancties aan de lidstaten laat, maak ik iets anders op. De in het arrest centraal staande verordening heeft de gebruikelijke structuur zoals hierboven besproken: de gedragsnorm is dwingend voorgeschreven, maar de strafbaarstelling en de sanctienorm niet. De verordening bevat alleen een gedragsomschrijving, maar geen complete strafbepaling. Dit betekent dat er zonder nationale wetgeving simpelweg geen strafbepaling voorhanden is. In dat opzicht lijkt de verordening op een richtlijn, en daarom kan de jurisprudentie over richtlijnen worden toegepast. Net als een richtlijn vereist deze verordening dat de nationale wetgever de nationale wet aanpast om te zorgen dat de betreffende gedragingen strafbaar zijn. Als de verordening nu wel een strafbaarstelling en sanctienorm zou bevatten, zou een complete strafbepaling ontstaan. Het Rolex-arrest maakt een a contrario-redenering mogelijk inhoudende dat indien de strafbaarstelling en de sanctienorm voldoende duidelijk zouden zijn omschreven om rechtstreeks te kunnen worden toegepast, de verordening als strafbepaling zou kunnen worden toegepast.9 Dit argument wordt mijns inziens niet ontkracht in het recente Taricco-arrest.10 Weliswaar stelde het Hof daar dat bij het verlenen van voorrang aan een verdragsbepaling (art. 325 lid 4vweu) in het strafrecht artikel 49 Hv moet worden gewaarborgd, maar ook artikel 325 lid 4 vweu is geen strafbepaling. Dit artikel bevat geen enkele component van een strafbepaling, maar uitsluitend een verplichting voor lidstaten om fraude te bestrijden. Toepassing van die bepaling als grondslag van strafrechtelijke aansprakelijkheid zou een evidente schending van het vereiste van een ondubbelzinnige rechtsgrondslag betekenen.
Er bestaan, kortom, op dit moment geen complete, rechtstreeks toepasselijke strafbepalingen. Wel bestaan er rechtstreeks toepasselijke gedragsomschrijvingen die de reikwijdte van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar nationaal recht afbakenen, mits de nationale wet voorziet in een strafbaarstelling en een sanctienorm. Er is dan sprake van een gelede strafbaarstelling die, omdat deze is samengesteld uit bepalingen afkomstig uit verschillende rechtsordes, een hybride strafbepaling zou kunnen worden genoemd. Schematisch ziet één en ander er als volgt uit:
Figuur 4.3: Het schema van Koopmans/Bleichrodt, Verbaan & Verbeek toegepast opverordeningen
1) gedragsomschrijving
2) strafbaarstelling
3) sanctienorm
Dwingend omschreven
Niet dwingend omschreven, maar strafbaarstelling kan geboden zijn o.g.v. assimilatiebeginsel
Niet dwingend omschreven: afschrikkend, evenredig en doeltreffend
Is rechtstreeks toepasselijk; omzetting verboden
Is niet rechtstreeks toepasselijk, want niet (dwingend) omschreven.*
Is niet rechtstreeks toepasselijk, want niet (dwingend) omschreven.*
Delictsomschrijving
Indien deze dwingend omschreven zou zijn, is rechtstreekse toepassing in theorie mogelijk
In dit schema kan nu bij wijze van voorbeeld een strafbepaling worden ingevuld waardoor de gelaagde structuur ervan inzichtelijk wordt.11 De vakken met bepalingen van Europees recht worden in het schema grijs gekleurd.
1) gedragsomschrijving
2) strafbaarstelling
3) sanctienorm
Art. 6 lid 1 Verordening 1338/2001: Verplichtingen van de kredietinstellingen 1. De kredietinstellingen […] hebben de verplichting om alle ontvangen eurobankbiljetten en -muntstukken waarvan zij weten of voldoende redenen hebben om te vermoeden dat deze vals zijn, uit omloop te nemen. Zij leveren die onverwijld in bij de bevoegde nationale autoriteiten.
Art. 1, aanhef en sub 2 WED: Economische delicten zijn: overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens: de verordening (EG) nr. 1338/2001 van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij (PbEG L 181), artikel 6, eerste lid.
Art. 6 lid 1, aanhef WED: Hij, die een economisch delict begaat, wordt gestraft: […]
Art. 6 lid 1 sub 2 WED (vervolg): […] in geval van een ander misdrijf met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, taakstraf of geldboete van de vierde categorie;
Delictsomschrijving
Is hier nu sprake van rechtstreeks toepasselijk Europees strafrecht? Deze schema’s kunnen op twee manieren worden geïnterpreteerd. Volgens de incorporatiethese transformeert de gedragsomschrijving van Europees recht in nationaal recht, door de verwijzing in het nationaal recht. Satzger stelt dat de materiële gedragsnorm die in het Europees recht ligt ‘becomes an integral part of the domestic criminal law provision’.12 Toch behoudt, erkent ook Satzger, de norm ‘in substance’ zijn Europese karakter, wat bijvoorbeeld tot gevolg heeft dat Europese normen over de interpretatie ervan van toepassing zijn.13 Formeel kan de gedragsomschrijving dus worden aangemerkt als nationaal recht, materieel blijft het een Europeesrechtelijke bepaling in het schema van Satzger.
Eenvoudiger is het om niet de context waarin de norm wordt toegepast, maar de herkomst van de norm als criterium te nemen voor de classificatie als behorend tot de ene of andere rechtsorde. Een Europese verordening is niet door de Nederlandse wetgever in het leven geroepen14 en kan ook niet zomaar door de Nederlandse wetgever worden herroepen of gewijzigd. De verordening is niet in het Staatsblad, Tractatenblad of de Staatscourant gepubliceerd, maar in het Publicatieblad van de Europese Unie. Ook al kan en moet de verordening worden toegepast in het Nederlandse recht, vanwege zijn herkomst blijft het een bepaling van Europees recht. De strafbepaling als geheel is dus een hybride bepaling, samengesteld uit Nederlands en Europees recht. Dat Europees recht is zowel in positieve als in negatieve zin bepalend voor de reikwijdte van strafrechtelijke aansprakelijkheid, omdat de gedragsomschrijving in het Europees recht ligt. De werking van het Europees recht in het strafrecht blijft echter vooralsnog volledig afhankelijk van een nationale strafbaarstelling en sanctienorm. Anders gezegd: de strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt nog altijd door de nationale wetgever gevestigd. Van rechtstreeks toepasselijk strafrecht kan daarom niet gesproken worden.