Einde inhoudsopgave
Het legaliteitsbeginsel en de doorwerking van Europees recht (Meijers-reeks) 2016/4.4.1
4.4.1 Meineed voor het Hof van Justitie en schending van atoomgeheimen: samengestelde strafbepalingen?
J.G.H. Altena, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
J.G.H. Altena
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hecker 2012, p. 220-223; Dannecker & Bülte 2014, par. 96-201; Doorenbos 1992, p. 1043-1046; Ferdinandusse 2001.
Art. 30 Statuut van het Hof van Justitie, Protocol 3 bij het Verdrag van Lissabon, PbEU 2010, C 83/210.
Dannecker en Müller wijzen erop dat vergelijkbare verwijzingen zich ook een enkele keer voor in het secundaire recht voordoen, Dannecker & Müller 2014, par. 24. Het voorbeeld dat zij noemen is art. 5 Verordening (eeg) 28/62 van de Raad van 14 mei 1962 betreffende de organisatie van een loonenquête.
Hecker 2012, p. 220-223, citaat op p. 220; in vergelijkbare zin Dannecker & Bülte 2014, par. 96-201 (digitale uitgave).
Satzger 2012a, p. 51-53; Geelhoed 2013, p. 240; Corstens 2000, p. 19
Satzger 2012a, p. 51-53.
Satzger 2012a, p. 53.
Hoewel dit naar de letter van de wet ook al kon worden bestraft op grond van de gewone meineedbepaling artikel 207 Sr, aldus Geelhoed 2014, T&C Strafrecht, aant. 5 op artikel 207a Sr.
In de literatuur wordt met enige regelmaat gesteld dat er al rechtstreeks toepasselijk Europees strafrecht bestaat.1 Het zou gaan om twee bepalingen. Ten eerste bepaalt artikel 30 van het Statuut van het Hof van Justitie dat lidstaten meineed voor het Hof van Justitie beschouwen, en op aangifte van het Hof van Justitie vervolgen, als hetzelfde strafbare feit als meineed voor een nationale rechtbank.2 Een vergelijkbare bepaling is vervat in artikel 194 van het Euratom-verdrag: schending van atoomgeheimen in het kader van het Euratom-verdrag moeten worden beschouwd als een inbreuk op beschermde geheimen van de lidstaat. Lidstaten passen daarop hun bepalingen toe over het in gevaar brengen van de veiligheid van de staat of de schending van beroepsgeheimen. Tweemaal bevatten de verdragen dus een opdracht om de schending van Europese rechtsgoederen te behandelen op dezelfde wijze als de schending van nationale rechtsgoederen.3 Volgens Hecker zijn deze bepalingen uit het Europees primair recht rechtstreeks toepasbaar in de lidstaten en vormen zij samen met de nationale bepaling een ‘supranationalen Gesamttatbestand’.4 De bepaling uit het Euratom-verdrag is ook in de Duitse rechtspraak geaccepteerd als Duits recht (maar vormt niet rechtstreeks de grondslag van strafrechtelijke aansprakelijkheid).5
De betreffende bepalingen zijn echter niet gemakkelijk te lezen als strafbepalingen. Ze bevatten geen gedragsomschrijving, geen sanctienorm en geen strafbaarstelling. Ze leggen lidstaten de plicht op om bepaalde gedragingen te vervolgen, en wel onder dezelfde condities als vergelijkbare gedragingen in het nationale recht – het bestaan van een nationale strafbepaling wordt daarbij verondersteld. Zowel in de Duitse als Nederlandse rechtswetenschappelijke literatuur wordt het standpunt dat hier sprake is van rechtstreeks toepasselijke strafbepalingen daarom terecht bestreden.6 Satzger merkt op dat de verplichting voor de lidstaat ten aanzien van het vervolgen van meineed voor het Hof van Justitie niet kan worden gekwalificeerd als een rechtstreeks toepasselijke strafbepaling, omdat wetgeving op nationaal niveau noodzakelijk is voor de werking ervan.7 De strafbaarheid van meineed voor het Hof van Justitie is volgens Satzger dus niet gebaseerd op rechtstreekse toepassing van het Statuut of een Statuut-conforme interpretatie van het nationale recht, maar op het beginsel van loyale samenwerking dat de lidstaten verplicht de Europese rechtspleging op dezelfde wijze te beschermen als de nationale.8 In het Nederlandse recht is aan die verplichting ten aanzien van meineed uitvoering gegeven door de introductie van artikel 207a Sr, dat meineed voor een internationaal gerecht strafbaar stelt.9 Een veroordeling zal dus uitsluitend grondslag vinden in het Nederlandse recht. Zonder nationale strafbepaling inzake de schending van geheimen of meineed kunnen deze en vergelijkbare bepalingen geen enkel effect sorteren.