Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/7.5.7
7.5.7 Waardering van de institutionele invloed
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS595264:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Dat is overigens anders wanneer de cliënt verplicht deelneemt in een pensioenregeling die is ondergebracht bij een pensioenverzekeraar of een premiepensioeninstelling is. Vanwege de verplichte deelneming kan hij in die gevallen toch niet de relatie met de financiële dienstverlener opzeggen. In zulke gevallen heeft evenwel de OR van de betrokken werkgever een instemmingsrecht ten aanzien van de onderbrenging en de voortduring daarvan (art. 27, lid 1, sub a, WOR voor verzekeraars, en art. 23, lid 4, Pw jo art. 27 WOR voor premiepensioeninstellingen). Ik ga daar verder niet op in. Zie: Heemskerk 2013b; Veugelers 2015 en voor wat betreft het OR-instemmingsrecht in relatie tot premiepensioeninstellingen de discussie in P&P: Heemskerk & De Greef 2012; Lutjens 2012b; Van Meerten & Van den Hout 2013; Heemskerk & De Greef 2013; Van Meerten 2014.
Dat is niet altijd zo. Zo kan er voor een deelnemer of een gewezen deelnemer een mogelijkheid bestaan tot waardeoverdracht naar een andere pensioenuitvoerder, een pensioeninstelling uit een andere lidstaat, of een buitenlandse verzekeraar (art. 70-92 Pw).
Ik merk hier weer op dat de statuten niet hoeven te voorzien in stemgerechtigde vertegenwoordigers voor alle groepen van begunstigden, al is dat wel mogelijk. Art. 115a, lid 3, sub a, Pw. (voetnoot 1450).
Art. 106 Pw jo. Beleidsregel geschiktheid. Hij moet overigens ook betrouwbaar zijn.
De geschiktheidseisen aan bestuurders uit art. 106 Pw zijn immers gericht tot het pensioenfonds. Zie ook Code Pensioenfondsen, nr. 48.
Art. 102, lid 3 en 4, Pw.
Code Pensioenfondsen, nr. 45.
Ik wijs er weer op dat de wetgever niet voorschrijft dat steeds alle groepen begunstigden vertegenwoordigd zijn in de inspraakorganen. Zie par. 7.5.2.
Er is een essentieel verschil tussen de cliënt van een financiële onderneming en de begunstigde van een pensioenfonds. De cliënt die niet tevreden is over zijn financiële dienstverlener kan altijd de relatie opzeggen. Er is daarom geen reden om hem institutionele invloed op zijn financiële dienstverlener te verlenen: hij kan “stemmen met de voeten”.1 De deelnemer in een pensioenfonds is daarentegen gewoonlijk verplicht tot deelneming. Andere begunstigden hebben veelal ook geen mogelijkheden om de relatie met het fonds te eindigen.2 Die gebondenheid rechtvaardigt dat begunstigden wél invloed hebben op het beleid van hun pensioenfonds.
Hoe de invloed vorm krijgt, is afhankelijk van het bestuursmodel dat het pensioenfonds heeft gekozen. Het is nuttig om onderscheid te maken tussen invloed in het bestuur en invloed op het bestuur.
In de paritaire bestuursmodellen hebben begunstigden3 een vertegenwoordiging in het bestuur. Dit is de meest vergaande vorm van invloed: hun vertegenwoordigers bepalen mede het beleid en zijn medeverantwoordelijk voor de uitvoering ervan. Dat stelt eisen aan de kwaliteiten van die vertegenwoordigers. Zij moeten deskundig zijn. Dat heeft de wetgever ook ingezien.4 De gemiddelde begunstigde beschikt niet over de vereiste deskundigheid. Dat stelt het pensioenfonds (met een paritair bestuursmodel) mogelijk voor een probleem. Het fonds is verantwoordelijk voor de geschiktheid van zijn bestuurders,5 maar die bestuurders worden niet door hem, maar door zijn begunstigden verkozen.6 Weliswaar zijn het niet de kiezende begunstigden die hun vertegenwoordigers benoemen. De Code Pensioenfondsen gaat uit van een benoeming door het bestuur.7 In de praktijk is er een flinke drempel om de benoeming van een verkozen vertegenwoordiger te weigeren.
In alle bestuursmodellen hebben de begunstigden invloed op het bestuur. Die invloed loopt via hun vertegenwoordigers8 in het verantwoordingsof belanghebbendenorgaan. Beide inspraakorganen hebben adviesrechten. De adviesrechten van het verantwoordingsorgaan zijn niet erg relevant als het om uitbesteding van het vermogensbeheer gaat. Enkel het adviesrecht ten aanzien van het beloningsbeleid is vermeldenswaardig. Het belanghebbendenorgaan heeft echter verdergaande adviesrechten. Vooral het adviesrecht ten aanzien van overeenkomsten van uitbesteding is hier relevant. Het belanghebbendenorgaan heeft bovendien goedkeuringsrechten, waaronder een goedkeuringsrecht ten aanzien van het beleggingsbeleid. Beide inspraakorganen beschikken over enquêtebevoegdheid.
De bevoegdheden van het belanghebbendenorgaan gaan verder dan die van het verantwoordingsorgaan. Dat is begrijpelijk. Een belanghebbendenorgaan wordt ingesteld bij pensioenfondsen met een bestuur waarin louter onafhankelijke derden zitting hebben, dus zonder vertegenwoordiging van de begunstigden. De verdergaande bevoegdheden van het belanghebbendenorgaan dienen ter compensatie van het gemis van een directe invloed in het bestuur.
Naar mijn mening is er sprake van een redelijk afgewogen geheel van bevoegdheden. De bevoegdheden van de vertegenwoordigers van de begunstigden, doen recht aan hun gebondenheid aan het pensioenfonds. Desondanks laten ze het primaat bij het bestuur. Dat is ook nodig. Het is het bestuur dat bestuurt en dat verantwoordelijk is voor het gevoerde beleid. Doorkruising van die verantwoordelijkheid is niet gewenst. Waar het bestuur echter zijn verantwoordelijkheid niet nakomt, kan het inspraakorgaan op de “noodrem” trappen door zijn enquêtebevoegdheid te gebruiken. Een belangrijke tekortkoming is echter de beperkte mate waarin gepensioneerden en met name gewezen deelnemers in de organen van het fonds zijn vertegenwoordigd.