De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.10.2.2.2:III.10.2.2.2 Indirecte bevoegdheid tot intrekking
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.10.2.2.2
III.10.2.2.2 Indirecte bevoegdheid tot intrekking
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS381331:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In tegenstelling tot art. 2.29 lid 1 Wabo is de mogelijkheid tot het doen van een verzoek door het vvgb-orgaan en een adviseur in dit artikellid niet nader geclausuleerd.
Op de voorwaarden die het derde lid van art. 5.20 Wabo stelt, wordt hier niet verder ingegaan.
Vgl. art. 2.31 lid 1 onder a Wabo en art. 2.33 lid 1 onder c Wabo.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook in het kader van handhaving bestaat een indirecte bevoegdheid tot intrekking. Onder omstandigheden kan een verzoek (art. 5.20 Wabo) dan wel een vordering (art. 5.24 Wabo) tot intrekking van de omgevingsvergunning bij wijze van sanctie worden gedaan. De artikelen 5.20 en 5.24 Wabo vertonen overeenkomsten met de in paragraaf 10.2.1.3 besproken artikelen 2.29 en 2.34 Wabo. In deze paragraaf wordt daarom volstaan met een korte bespreking.
Op grond van art. 5.20 lid 1 Wabo kunnen het vvgb-orgaan en eventuele adviseurs een verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning doen.1 Daarnaast kan een waterbeheerder een verzoek tot intrekking doen indien aan de voorwaarden van art. 5.20 lid 2 Wabo wordt voldaan.2 In tegenstelling tot een verzoek of vordering in de zin van hoofdstuk 2 Wabo, is in art. 5.19 Wabo voor het bevoegd gezag geen verplichting opgenomen om aan dit verzoek/deze vordering gehoor te geven.3