Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.10.2.2.1
III.10.2.2.1 Intrekking bij wijze van sanctie (art. 5.19 Wabo)
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS375278:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Art. 5.19 lid 1 Wabo spreekt over vergunning of ontheffing. Daarmee wordt bedoeld ‘elke vergunning of ontheffing krachtens een van de betrokken wetten waarin dit artikel van toepassing is verklaard’. Zie Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, p. 140.
Art. 5.19 lid 1 Wabo. In lid 3 wordt tevens gesproken over ‘het bestuursorgaan’, terwijl lid 4 spreekt over ‘het bevoegd gezag’.
Deze intrekkingsgrond geldt nu voor een groter aantal toestemmingen dan voor inwerkingtreding van de Wabo het geval was. Zo gold deze intrekkingsgrond bijvoorbeeld niet voor de milieuvergunning (vgl. art. 18.12 Wm (oud)). Zie ook in die zin: Michiels, Nijmeijer en Van der Velden 2007, p. 118-119.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 24 december 2003, AB 2004/240 m.nt. Nijmeijer, Gst. 2004/146 m.nt. Teunissen en BR 2004/55 m.nt. Weerkamp, ABRvS 28 april 2004, Gst. 2005/42 m.nt. Nijmeijer en ABRvS 25 februari 2009, AB 2009/159 m.nt. Nijmeijer. Ook kan worden gedacht aan de situatie waarin bij de aanvraag is vermeld dat bestaande bebouwing zal worden gesloopt, terwijl dit later blijkt niet te zijn gebeurd. Zie ABRvS 6 november 2002, AB 2003/215 m.nt. Nijmeijer, Gst. 2003/45 m.nt. Teunissen en BR 2003/30.
ABRvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2407.
ABRvS 14 maart 2000, AB 2000/281 m.nt. Nijmeijer, BR 2000, p. 504 m.nt. Weerkamp en Gst. 2000/6 m.nt. Teunissen en ABRvS 12 juni 1997, AB 1997/343 m.nt. Van Buuren, JB 1997/190 m.nt. Seerden en BR 1997, p. 942 m.nt. Weerkamp en Van Ravels. Vgl. Nijmeijer 2005, p. 11, Van Bommel 2010, p. 1044 en Van Buuren e.a. 2014, p. 195-196. Causaal verband ontbrak in ABRvS 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:343.
Ten aanzien van de intrekking op grond van art. 59 lid 1 onder a Wonw (oud) gold dat ook het nalaten ongevraagde gegevens welke essentieel waren om een beslissing op de aanvraag te nemen te verstrekken tot intrekking van de bouwvergunning kon leiden (zie o.a. ABRvS 25 februari 2009, AB 2009/159 m.nt. Nijmeijer en ABRvS 24 december 2003, AB 2004/240 m.nt. Nijmeijer, Gst. 2004/146 m.nt. Teunissen en BR 2004/55 m.nt. Weerkamp.
Van Buuren e.a. 2014, p. 195-196.
Michiels, Nijmeijer en Van der Velden 2007, p. 118.
Van Bommel 2010, p. 1047. Strikt genomen laat de tekst van de wet een dergelijke lezing toe. Zie over de reikwijdte van het begrip algemene regels in de zin van art. 5.19 lid 1 onder d Wabo ook Michiels, Nijmeijer en Van der Velden 2007, p. 119.
Zie hierover meer uitgebreid paragraaf 10.3.2.
Art. 5.19 lid 3 Wabo spreekt slechts over de voorschriften, terwijl in het eerste lid onder c zowel over voorschriften als beperkingen wordt gesproken. Ik ga ervan uit dat, ook indien in strijd met een aan de omgevingsvergunning verbonden beperking wordt gehandeld, een hersteltermijn in acht wordt genomen.
Vgl. art. 18.12 lid 4 Wm (oud).
Zie ten aanzien van de termijnstelling van art. 18.12 lid 4 Wm: ABRvS 19 mei 2004, JB 2004/258. De redenering was dat geen sprake is van een handeling gericht op rechtsgevolg, nu de verplichting tot naleving van de voorschriften reeds bestaat op grond van de wet en niet voortvloeit uit de termijnstelling. Vgl. ook Blomberg 2000, p. 109: ‘Anders dan de begunstigingstermijn bij bestuursdwang en dwangsom wordt deze hersteltermijn niet in de intrekkingsbeschikking gegeven, maar daaraan voorafgaand.’
Vz. Rechtbank Assen 21 december 2010, ECLI:NL:RBASS:2010:BO9494 en Rechtbank Alkmaar 25 november 2010, ECLI:NL:RBALK:2010:BP3592 (de Wabo was in laatstgenoemde zaak niet van toepassing, maar werd door de bestuursrechter analoog toegepast). Een en ander blijkt ook uit de tekst van art. 5.19 lid 3 Wabo.
Op grond van art. 2.25 lid 3 Wabo worden bij AMvB categorieën van gevallen aangewezen, waarin de omgevingsvergunning slechts geldt voor degene aan wie zij is verleend. Wanneer in die aangewezen gevallen het project wordt uitgevoerd door iemand anders dan de vergunninghouder, kan de omgevingsvergunning op grond van art. 5.19 lid 4 onder a Wabo worden ingetrokken.
Naast de beleidsmatige intrekking, kent de Wabo op grond van art. 5.19 ook de mogelijkheid een omgevingsvergunning bij wijze van sanctie in te trekken.1 Bevoegd tot intrekking is het bestuursorgaan dat bevoegd was de vergunning te verlenen.2 Het eerste lid van artikel 5.19 Wabo bevat een viertal intrekkingsgronden. Deze gronden zijn niet gespecificeerd naar het type toestemming zoals in de artikelen 2.31 en 2.33 Wabo veelal wel het geval is. Het zijn dus algemene intrekkingsgronden.
Op grond van onderdeel a kan een vergunning worden ingetrokken indien deze is verleend ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave.3 Zo geldt bijvoorbeeld voor de omgevingsvergunning om te bouwen dat het gebruiksdoel van het te bouwen object bij de aanvraag moet worden vermeld indien dit in strijd is met het bestemmingsplan.4 In 2013 oordeelde de Afdeling dat geen sprake was van een onjuiste of onvolledige opgave als bedoeld in art. 5.19 lid 1 aanhef en onder a Wabo bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning om te bouwen. In de aanvraag was aangegeven dat twee bestaande muren en de fundering zouden worden behouden. Dat was ook daadwerkelijk de bedoeling van de aanvrager. Echter, tijdens de sloopwerkzaamheden bleek dat van de fundering en de twee muren geen gebruik meer kon worden gemaakt. De Afdeling overwoog:
‘Anders dan [appellant] stelt, is niet gebleken dat vergunninghouder ten tijde van het indienen van de aanvraag wist dat bij realisering van het bouwplan nooit van de bestaande fundering en muren gebruik kon worden gemaakt. Nu van een onjuiste of volledige opgave als bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geen sprake is, is het college niet bevoegd over te gaan tot intrekking van de bouwvergunning van 22 augustus 2006.’5
De zinsnede ten gevolge van duidt erop dat een causaal verband moet bestaan tussen de onjuiste of onvolledige opgave en de verlening van de vergunning.6,7 Intrekking op deze grond kan dus slechts plaatsvinden, wanneer de vergunning bij een juiste en volledige opgave niet zou zijn verleend.8
Onderdeel b bepaalt dat een vergunning kan worden ingetrokken indien niet in overeenstemming met die vergunning is gehandeld. Onderdeel c maakt intrekking mogelijk indien aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn nageleefd.9
Intrekking kan tot slot op grond van onderdeel d geschieden indien voor de vergunninghouder als zodanig geldende regels niet zijn of worden nageleefd. Daarbij kan in algemene zin worden gedacht aan regels conform welke de vergunninghouder bij gebruikmaking van de vergunning moet handelen.10 Van Bommel stelt dat op grond van de tekst van art. 5.19 Wabo aangenomen zou kunnen worden dat een omgevingsvergunning kan worden ingetrokken indien deze in strijd met het Bouwbesluit (2012) of de bouwverordening is verleend. De vergunninghouder handelt dan immers in strijd met deze regelingen als hij van de vergunning gebruik maakt. Dit standpunt nuanceert zij mijns inziens terecht met een verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de Wro, waarbij een dergelijke intrekkingsgrond uitdrukkelijk van de hand werd gewezen.11,12
Artikel 5.19 lid 2 Wabo geeft een intrekkingsgrond voor een specifieke toestemming, te weten de omgevingsvergunning voor het beheer van (gevaarlijke) afvalstoffen. Voorts is in artikel 5.19 lid 3 Wabo bepaald, dat het bevoegd gezag de overtreder een termijn dient te gunnen binnen welke deze de gelegenheid krijgt alsnog te handelen conform de vergunning, de aan de vergunning verbonden voorschriften13 dan wel de algemene regels als bedoeld in art. 5.19 lid 1 en 2 Wabo.14 Pas wanneer de vergunninghouder geen gebruik maakt van deze termijn, is het bevoegd gezag bevoegd om tot intrekking van de omgevingsvergunning over te gaan. Logischerwijs geldt de verplichting van een hersteltermijn niet ingeval de omgevingsvergunning wordt ingetrokken omdat deze is verleend ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave.
Blijkens de jurisprudentie van voor inwerkingtreding van de Wabo moet de termijnstelling niet gekwalificeerd worden als besluit in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb.15 Er bestaat geen reden om aan te nemen dat een en ander onder de Wabo anders zou zijn. Voorts is het niet toegestaan het bieden van een hersteltermijn achterwege te laten.16 Het bieden van een hersteltermijn is dus een verplichting voor het bestuursorgaan.
Tot slot geeft art. 5.19 lid 4 Wabo nog een tweetal intrekkingsgronden. Op grond van onderdeel a kan een omgevingsvergunning worden ingetrokken wanneer het betreffende project door iemand anders dan de vergunninghouder wordt uitgevoerd in gevallen waarin expliciet is voorgeschreven dat het project door de vergunninghouder moet worden uitgevoerd.17Onderdeel b betreft de intrekking op grond van de Wet Bibob.