Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/2.1.2:2.1.2 Toepassing van het bestemmingscriterium op de woonark uit het Woonarkarrest
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/2.1.2
2.1.2 Toepassing van het bestemmingscriterium op de woonark uit het Woonarkarrest
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS485504:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik schaar mij graag onder de critici ten aanzien van het in het Portacabinarrest geformuleerde bestemmingscriterium. Voor een overzicht van (kritische) stukken over het bestemmingscriterium verwijs ik naar: Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/90.
HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7857.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Hoge Raad lijkt hiermee het bestemmingscriterium niet toe te passen op de woonark. Uit het Portacabinarrest blijkt immers dat het ontbreken van enige fundering niet in de weg staat aan een kwalificatie als onroerend. En aangezien de woonark evenals de drijvende steigers met beugels was verbonden aan in de bodem verankerde meerpalen, had een vereniging met de grond, mijns inziens, goed verdedigd kunnen worden. Over de door lid 1 van art. 3:3 BW vereiste duurzame vereniging zegt de Hoge Raad in het Portacabinarrest dat een gebouw of werk duurzaam verenigd kan zijn met de grond doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. De woonark was als woning ingericht en in gebruik. De naar buiten kenbare bedoeling van de bouwer (in dezen X: degene die de woonark heeft laten plaatsen) was mijns inziens om de woonark op die plek te gebruiken als woning. De bestemming om duurzaam ter plaatse te blijven, lijkt mij ook naar buiten kenbaar. Derden die over de wandelpromenade de woonark zien liggen, zullen niet in de veronderstelling verkeren dat deze woonboot hier slechts tijdelijk gelegen is en binnen afzienbare tijd verplaatst zal worden. Wanneer ik het bestemmingscriterium toe pas op de litigieuze woonark kan ik niet anders concluderen dan dat op grond van het bestemmingscriterium de woonark als onroerende zaak gekwalificeerd zou moeten worden. Dit overigens los van de vraag of ik dit een wenselijke uitkomst zou vinden.1
De Hoge Raad denkt hier kennelijk anders over en stelt:
“Het gaat hier om een zaak die blijkens zijn constructie bestemd is om te drijven en drijft, zodat sprake is van een schip in de zin van artikel 8:1 BW. Een schip is in het algemeen een roerende zaak. Een verbinding tussen een schip en de onder dat schip gelegen bodem die toelaat dat het schip met de waterstand mee beweegt, kan niet leiden tot het oordeel dat het schip met de bodem is verenigd in de zin van artikel 3:3 lid 1 BW. Klaarblijkelijk is in het onderhavige geval sprake van een dergelijke verbinding, zodat de woonark niet met de onder die ark gelegen bodem is verenigd in de zojuist bedoelde zin.”
Opmerkelijk is dat de Hoge Raad niet ingaat op het arrest waarnaar het hof expliciet verwees, namelijk dat betreffende de drijvende steigers.2 De omstandigheden in dat arrest vertonen namelijk grote overeenkomsten met die van de woonark.