Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/4.4
4.4 Mogen contractspartijen afwijken van de richtlijn?
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS599901:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
HvJEG 26 februari 1986, C-152/84 (Marshall I).
Richtlijnen hebben, anders gezegd, geen directe horizontale werking. Er kan in horizontale verhoudingen wel sprake zijn van indirecte werking, bijv. door richtlijnconforme interpretatie. Zie Asser/Hartkamp 3-I* 2011, nr. 158-159 en 181-184. Een richtlijn kan wel directe “horizontale” werking hebben in een privaatrechtelijke verhouding met een overheidsinstantie. Heeft een lidstaat een richtlijn niet of niet correct geïmplementeerd, dan mag die overheid van die nalatigheid niet profiteren. In een dergelijk geval kan een burger zich rechtstreeks op de richtlijn beroepen. Ik heb “horizontale” hier tussen aanhalingstekens geplaatst, omdat men, ondanks de privaatrechtelijke relatie, hier in de Europeesrechtelijke literatuur toch een verticale verhouding in pleegt te zien. Zie bijv. HvJEG 26 februari 1986, C-152/84 (Marshall I) en HvJEU 24 januari 2012, C-282/10 (Dominguez). Zie verder Asser/Hartkamp 3-I* 2011, nr. 155 en Prinssen 2004, par. 6.13.6.
Dat is zelfs zo wanneer de richtlijn niet correct is omgezet (Asser/Hartkamp 3-I* 2011, nr. 156).
Bij de uitlegging van contractsbepalingen komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij de hoedanigheid van partijen mede van belang is (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635, m.nt. Brunner (Haviltex)).
Asser/Hartkamp 3-I* 2011, nr. 190; Prinssen 2004, par. 6.13.5.Hartkamp voegt eraan toe dat, hoewel niet verplicht, rechters toch “van nature geneigd” zullen zijn om contractuele afspraken in overeenstemming met een richtlijn uit te leggen. Natuurlijk moeten de kennelijke bedoelingen van de contractspartijen die ruimte dan wel toelaten. Die neiging zal vooral bestaan wanneer het beding anders met nietigheid bedreigd zou worden. Hij refereert daarbij aan de oude uitleg-regel dat men een beding veeleer moet opvatten in de zin waarin het van enige uitwerking kan zijn, dan in die waarin het geen gevolg zou hebben. Zie Asser/Hartkamp 3-I* 2011, nr. 101.
Daarover meer in par. 4.5.
Zie Asser/Hartkamp 3-I* 2011, nr. 175. Voorzichtiger is overigens Busch 2012a, nr. 23-24.
Voor de vraag wélke civielrechtelijke sanctie de contractsafspraak treft, zie par. 4.5.
Dit argument schijnt in de Luxemburgse literatuur te leven (zie: Riasetto & Richard 2012, nr. 6.74).
Busch 2012a, nr. 25. Hij geeft overigens zelf aan dat dit argument theoretisch aandoet, omdat de beleggersbescherming in de MiFID al van hoog niveau is, zodat vermogensbeheerders niet gauw met strengere eisen akkoord zullen gaan. Niettemin meent hij dat grote pensioenfondsen toch de onderhandelingspositie kunnen hebben om zulke verdergaande eisen te stellen (Busch 2014, p. 101).Voorstelbaar is bijv. dat zij aanvullende eisen stellen op het gebied van het beleid inzake belangenconflicten. Ook is voorstelbaar dat wanneer een vermogensbeheerder het vermogensbeheer verder uitbesteedt aan een vermogensbeheerder in een derde land, het opdrachtgevende pensioenfonds verlangt dat de onderbeheerder over een vergunning beschikt en onder prudentieel toezicht staat. Die eisen zijn in de Uitvoeringsrichtlijn MiFID enkel opgenomen in het geval van vermogensbeheer voor niet-professionele beleggers. Zie art. 15, lid 1, sub a, Uitvoeringsrichtlijn MiFID.De vraag of contractspartijen strenger mogen zijn dan een richtlijn die voorziet in maximumharmonisatie is ook op zichzelf interessant. Naast MiFID en de Uitvoeringsrichtlijn MiFID zijn er meer richtlijnen die voorzien in maximumharmonisatie.
Zie Asser/Hartkamp 3-I* 2011, nr. 22-24.
Richtlijnen scheppen verplichtingen voor lidstaten tot omzetting en handhaving van de inhoud van die richtlijnen. Volgens het HvJEU “kan een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren opleggen”.1 Een particulier kan zich jegens een andere burger dan ook niet rechtstreeks op een richtlijn beroepen.2 Hij zal zich moeten beroepen op de nationale omzettingsbepalingen.3
Ook bij de uitleg van de overeenkomst door de rechter worden de contractanten niet aan een richtlijn gebonden. De rechter legt de overeenkomst uit volgens de Haviltex-norm.4 In die norm komt de wilsvertrouwensleer tot uiting: de bedoeling van partijen staat voorop. Die bedoeling kan niet door de rechter met een richtlijnconforme interpretatie van de overeenkomst aan de kant worden gezet. Er bestaat voor rechters geen verplichting tot richtlijnconforme interpretatie van overeenkomsten. De verplichting tot richtlijnconforme interpretatie strekt ertoe het nationale recht te doen stroken met het Europese recht. Rechters zijn niet gehouden om partijen die van hun contractsvrijheid gebruik maken, te binden aan regels die tussen hen geen gelding hebben.5
Particulieren worden dus niet door richtlijnen gebonden. Zij worden echter wel gebonden door de nationale omzettingsbepalingen. Wanneer partijen afwijken van deze nationale omzettingsbepalingen, kan dat gevolgen hebben voor de geldigheid of afdwingbaarheid van die afspraken.6 De vraag luidt dus eigenlijk in welke gevallen het effectiviteitsbeginsel toelaat dat afspraken van contractspartijen die afwijken van richtlijnen, naar nationaal civiel recht afdwingbaar blijven.
Uitgaande van een correcte omzetting van de richtlijn in het nationale recht, kunnen contractsbepalingen dus niet soepeler zijn dan de dwingendrechtelijke bepalingen uit een richtlijn.7 Dit is ongeacht of de richtlijn voorziet in minimum- of maximumharmonisatie. Zulke afspraken zijn immers in strijd met de (omzettings)wet en worden getroffen door civielrechtelijke sancties.8
Uiteraard mogen de contractspartijen wel afspraken maken die verder gaan dan een richtlijn die voorziet in minimumharmonisatie. Bij minimumharmonisatie staat het effectiviteitsbeginsel er zelfs niet aan in de weg dat een lidstaat verdergaande eisen in zijn nationale regelgeving opneemt; het staat er dan nog minder aan in de weg dat contractspartijen, die immers niet aan de richtlijn zijn gebonden, uit eigen beweging verdergaande eisen opnemen. Er is dus niets op tegen als een pensioenfonds en zijn vermogensbeheerder bijvoorbeeld afspreken dat de vermogensbeheerder een onderdienstverlener enkel inschakelt na vooraf verkregen instemming van het pensioenfonds.
In de literatuur is daarentegen betoogd dat partijen géén verdergaande eisen mogen stellen wanneer een richtlijn voorziet in maximumharmonisatie, zoals de MiFID en de Uitvoeringsrichtlijn.9 Dit zou namelijk een belemmering van het gelijke speelveld kunnen vormen. In andere literatuur is als voorbeeld de mogelijkheid genoemd dat vermogensbeheerders op grond van een lokaal marktgebruik zich op grote schaal onderwerpen aan strengere zorgplichten.10
Het argument overtuigt mij niet. Een gelijk speelveld ziet op de totstandkoming van één interne markt. Die interne markt kenmerkt zich hierin dat voor alle marktpartijen dezelfde (althans geharmoniseerde) voorwaarden en eisen gelden, ongeacht hun lidstaat van herkomst.11 Die eis richt zich tot de lidstaten, niet tot hun burgers. Wanneer klanten naar (lokaal) marktgebruik strengere zorgplichten eisen van hun vermogensbeheerders verstoren zij het gelijke speelveld niet. Iedere vermogensbeheerder, ongeacht zijn lidstaat van herkomst, kan vrijelijk meedingen.Wel is er sprake van gewone marktwerking: partijen die de (lokale) klant niet bieden wat hij wenst, zijn niet concurrerend en maken op die markt geen kans. Het laat zich moeilijk voorstellen dat de Europese instellingen daartegen bezwaar maken.