Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/441
441 Overname en de positie van de debiteur
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 23-02-2026
- Datum
23-02-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD46790:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Handelingen I 2001/02, 10, p. 489 en Rueb 2005, p. 282.
Vgl. Handelingen I 2001/02, 10, p. 489 en Rueb 2005, p. 282.
Art. 6:145 BW. Zie ook Rueb 2005, p. 282 en hiervóór par. 13.3.
Zie par. 10.5 hiervóór.
Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 863, nr. 3, p. 2-3.
Zo ook de minister van Justitie in Kamerstukken II 2002/03, 28 863, nr. 3, p. 3. Ook Rueb acht dit mogelijke nadeel voor de debiteur onvoldoende reden om op de overgang van een vordering onder bijzondere titel niet de regeling van de schorsing en hervatting van toepassing te doen zijn; zie Rueb 2005, p. 282.
Zie hiervóór par. 6.4-6.4.1 en 6.4.4.
Wat zijn de gevolgen voor de debiteur van de vordering van deze wisseling van procespartij na cessie of openbare verpanding? Voor de debiteur kan zulks twee nadelen hebben. Het eerste mogelijke nadeel is dat hij het risico loopt dat de in de kosten veroordeelde cessionaris of pandhouder voor die kostenveroordeling geen verhaal biedt, terwijl de pandgever wel verhaal geboden zou hebben.1 Dit mogelijke nadeel is mijns inziens onvoldoende reden om voor een andere regeling te pleiten.
Een ander mogelijk nadeel voor de debiteur is dat hij na de schorsing en hervatting geen reconventionele vordering meer kan instellen tegen de oorspronkelijke eiser (de cedent of de pandgever). De debiteur kan een vordering tegen de oorspronkelijke eiser nog uitsluitend instellen door deze te dagvaarden.2 De debiteur kan zich tegenover de cessionaris casu quo de pandhouder wel beroepen op de verweermiddelen die hij aan de cedent casu quo de pandgever kon tegenwerpen.3 Ook kan de debiteur zich binnen de grenzen van art. 6:130 BW op verrekening blijven beroepen en dit beroep op verrekening ook na de overname van het geding aan de cessionaris casu quo de pandhouder tegenwerpen.4 Hierdoor wordt de debiteur mijns inziens afdoende beschermd tegen het risico dat aan de eiser een hogere vordering wordt toegewezen dan het geval zou zijn als hij wel een reconventionele vordering had kunnen instellen.5
Wil de debiteur een andere reconventionele vordering dan een geldvordering instellen tegen de oorspronkelijke eiser, zoals een vordering tot levering van een goed, dan kan hij wel enig nadeel ondervinden van het overgenomen of verpand zijn van de vordering door een cessionaris of pandhouder. Zo een vordering zal door de debiteur veelal in een separate dagvaardingsprocedure jegens de oorspronkelijke eiser moeten worden ingesteld.
Ik meen dat dit nadeel niet opweegt tegen de mogelijke processuele complicaties van een meerpartijenprocedure die het gevolg zou zijn van de mogelijkheid tot het instellen van een reconventionele vordering jegens de oorspronkelijke eiser. Dit beperkte nadeel is inherent aan de, op zichzelf wenselijke, mogelijkheid om een vordering te kunnen overdragen of verpanden, zelfs nog als die inmiddels onderwerp is van een geding tussen schuldeiser en schuldenaar.6 De schuldenaar die dit gevolg per se wenst te vermijden, kan zijn vordering door een beding met zijn schuldeiser onoverdraagbaar maken.7